Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

Deze eerlijkheid nu sluit alle krenking van het eigendomsrecht onzer naasten onvoorwaardelijk uit. Is de eigendom het recht, dat een persoon op een zaak heeft met uitsluiting van ieder ander persoon, eerlijkheid zal dit recht, deze bevoegdheid, doen eerbiedigen. Is de eigendom het recht om van een zaak het vrij genot te hebben en daarover, behoudens zekere voorwaarden en binnen zekere grenzen, op volstrekte wijze te beschikken, eerlijkheid zal voor een onbevoegd ingrijpen in dat recht van den naaste ons bewaren. En gelijk wij het recht hebben, dat anderen ons eigendom eerbiedigen en niet krenken, hebben anderen dat recht ook tegenover ons. De deugd der eerlijkheid zal ons dit recht doen eerbiedigen en niet doen krenken; zal ons niet doen willen bedriegen en stelen, of te groote winsten trekken bij den ruil; zal ons niet doen willen zelfs „kleinigheden" te ontvreemden, het gestolene te helen, het gevondene te houden, het verdiende loon niet uit te betalen, het vreemde goed te verwaarloozen en ook niet door allerlei kunstgrepen den menschen het geld uit den zak te kloppen. Stipte eerlijkheid moet onze schreden besturen. Een enkele onvoorzichtige stap, waardoor men zich aan haar leiding onttrekt, zich van haar verwijdert, kan, zooals een onzer beste moralisten zegt, licht de noodzakelijkheid doen ontstaan, zich in een weefsel van booze praktijken te moeten wikkelen, die men verafschuwt, maar niet meer ontberen kan.

Toch is er, en zoo Roomsche als ook Gereformeerde zedeleeraars hebben het met zekere uitvoerigheid behandeld, één geval denkbaar, waarin het niet maar geoorloofd, doch zelfs geboden is, zich vreemd eigendom tegen den wil van den eigenaar, of ten minste zonder zijn medeweten, toe te eigenen; als het niet anders kan, zelfs met geweld. Dit is het geval, waarin ons eigen leven, of ook dat van anderen, in werkelijkheid op geen andere wijze in stand kan gehouden.

Het leven toch is meer dan het voedsel. (Matth. 6 : 25.)

De oude zedeleeraars noemen dit de extrcma necessitas of het geval van „den uitersten nood".

En dat dit dan zelfs geboden is, zooals ook onze Gereformeerde moralisten leerden, zal men toegeven, wanne'er men bedenkt, dat bij een conflict tusschen het eigendomsrecht en het levensbehoud, het middel tot vervulling van onze levenstaak, — het eerste voor het laatste moet wijken.

Wil dit nu zeggen, dat wie honger heeft, doch geen geld om voedsel te koopen, dan maar moet stelen?

Allerminst.

Noch de Roomsche, noch ook onze moralisten hebben zoo iets ooit beweerd. Het is dan ook kortweg een leugen, dat b.v. Thomas van Aquino, de groote leeraar der middeneeuwsche Kerk, dit zou hebben gedaan. Toch heeft men hem het zeggen toegedicht, dat een arme, die honger heeft, wel een broodje mag stelen.

Slaan wij echter de Summa Theologica, op, dat machtig standaardwerk van den doctor angelicus, waarvan de beoefenaar der dogmatiek

Sluiten