Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EIGENDOM. — DES NAASTEN EIGENDOM.

Wij omschreven reeds boven de billijkheid als het zich, bij het „verkeer", bij den ruil van zaken en eigendom, niet alleen door de strenge gerechtigheid, maar ook door de liefde tot den naaste laten leiden, om daardoor, onzerzijds, de strenge en stipte compensatie door de liefde te beperken.

Ook de antieke wereld, die de liefde, de Christelijke liefde, niet kende, had toch het begrip der billijkheid. Aristoteles spreekt er van onder den naam van epicikda, een woord, waar men later epikia van maakte. Bij hem is zij de verbetering van het positieve of het door de Overheid gestelde recht, door het natuurlijk recht; of ook, de milde uitlegging ten opzichte van een geval, waarin, wegens de bijzondere omstandigheden, door de wet in haar algemeenheid niet is voorzien. Wij zouden haar ook kunnen omschrijven als het in zijn gedrag toonen, dat men, naast en boven de geschrevene wet, de ongeschrevene wil eerbiedigen.

Het positieve recht toch is naar zijn begrip abstract. Het kan slechts algemeene regels stellen en moet bijzondere gevallen aan die regels onderschikken. Doch ieder concreet geval heeft zijn eigenaardige omstandigheden.

Met de gerechtigheid is de diefstal in strijd.

Het positieve recht stelt op stelen straf. Maar niemand zal ontkennen, dat het geval, waarin iemand uit honger steelt, een ander is dan dat, waarin hij steelt om zich te verrijken. De gevallen, zeggen wij, staan niet gelijk, en met dat niet-gelijkstaan moet men bij de vergelding, de billijkheid, rekenen.

Zoo ook is het niet alleen geoorloofd, maar zelfs plicht, ons eigendom te verdedigen; eisch der gerechtigheid, dat een ander ons het onze geve, gelijk wij hem het zijne, en mitsdien recht, hem daartoe langs gerechtelijken weg te dwingen, indien hij daarin onwillig blijkt. Toch kunnen er gevallen zijn, waarin de billijkheid eischt, niet „te staan op zijn recht", gevallen, waarin de onmacht blijkt van den ander om zijn verplichtingen jegens ons te voldoen. Dan toch te blijven staan op ons recht, is de onbillijkheid of de hardheid. Jezus teekent ons zulk een hardheid in de gelijkenis van dien koninklijken dienstknecht, wien door den koning de duizend talenten, die hij schuldig was, maar niet kon betalen, waren kwijtgescholden, en die daarna zijn mededienstknecht — die hèm honderd penningen schuldig was, maar welke deze op dat oogenblik evenmin kon betalen, — bij de keel greep, zeggende: „Betaal mij, wat gij schuldig zijt!" en in de gevangenis wierp. (Mattheüs 18.)

En waar nu reeds de vóór- en buiten-Christelijke wereld naast de gerechtigheid ook de billijkheid kent, daar zal de Christen, die zijn naaste niet alleen moet, maar ook wil liefhebben als zich zelf, in het verkeer met dien naaste ook de billijkheid betrachten.

Sluiten