Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S IIEEREN ORDINANTIËN.

Reeds bij het verwerven van eigendom openbaart zich deze invloed der zonde. Die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de menschen doen verzinken in verderf en ondergang, — zegt de Schrift, (i Tim. 6 : 9.)

En dat niet alleen in verzoeking tot wat men in ruimer of enger zin „stelen noemt — waarover in het volgende hoofdstuk —, maar, ook in verzoeking om zich goed en geld te verwerven door andere middelen dan welke God ons geboden heeft; dan welke rechtmatig zijn.

Is zulk een rechtmatig middel: de arbeid in den ruimsten zin, het trouw arbeiden in zijn beroep, — daar is een booze neiging in de menschelijke natuur, om, zonder zich de moeite van den arbeid met hand of hoofd te getroosten, toch goed of geld te verwerven; een neiging, die zich vooral openbaart als passie voor het spel, in den zin van het z.g. hazard — een woord, dat saamhangt met het Arabische sar — „dobbelsteen", — of gelukspel.

„Gelukspelen nu zijn al zulke spelen om goed of geld, waarvan de afloop alleen of wezenlijk afhangt van wat men het Toeval noemt.

En deze spelen zijn, behalve als onrechtmatige middelen tot verwerving van geld of goed, ook te veroordeelen, omdat zij het bijgeloof in „het Geluk bevorderen; den mensch afgodisch zijn vertrouwen doen stellen op „de Fortuin"; zijn winzucht wekken en voeden; en hem zijn winst doen maken uit de schade en het verlies van zijn naasten.

Tot zulke „gelukspelen" behoort onder de „gezelschapsspelen", of de spelen waarmee men zich in het „gezellig verkeer" bezighoudt, het kaartspel.

Zeker is niet alle „spel" zedelijk te veroordeelen.

Het spel is middel tot recreatie, ontspanning, vermaak. Men speelt met elkander — alleen kinderen spelen soms alleen — met geen ander doel dan zich te vermaken.

Zal spel „spel blijven, dan moet alle doel om van elkander te leeren, of met elkander iets te produceeren, iets voort te brengen, zijn uitgesloten. Spel is louter om elkaar te amuseeren. Daarom is het „gezellig verkeer" in zijn wezen spel. Hoe meer men elkander vermaakt, hoe gezelliger.

En plicht, ook in het gezellig verkeer, is dan, dat ieder het zijne bijdraagt om „de gezelligheid te bevorderen" ; dat ieder van het zijne de anderen doet genieten. En dat zijne is dan niet alleen het eigendom in den zin van het stoffelijk goed, dat de gastheer of de gastvrouw uitstalt en ten dienste en ter genieting van de gasten stelt, maar dat zijne is ook en vooral de natuurlijke begaafdheden, de verworven vaardigheden, die ^ aan hen, welke met elkander gezellig verkeeren, eigen zijn, die zij voor elkander uitstallen om er elkander mee te dienen, van te doen genieten. Deze begaafdheden en vaardigheden nu kunnen of meer op het gebied van het zinnelijk-lichamelijke, öf meer op dat van het geestelijk-psychische liggen. Vandaar dan, dat men

Sluiten