is toegevoegd aan uw favorieten.

Van 's Heeren ordinantiën

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EIGENDOM. — ZONDIGEN IN BETREKKING TOT ONS EIGENDOM

de vrije beschikking over stoffelijk goed. Wie daarvan niets het zijne an noemen, niets zijn eigendom, vermag niets. Eigendom is vrijheid, en wie heel geen eigendom bezit, is van anderen afhankelijk, is onvrij.

arn?°,e"' het gemis aan eigendom op zooveel van het stoffelijk goed als n mensch voor een hem waardig bestaan noodig heeft, is een kwaad; al is de rijkdom, de overvloed aan eigendom op stoffelijk goed, ook nog niet altijd een goed. Daarom bidt dan ook Agur: „Armoedert rijkdom geef mij niet: voed mij met het brood mijns bescheien deels. (Spreuken 30:83.) En dat bescheiden, dat toereikend deel, wat ook Jezus ons leerde van onzen Vader te bidden, is niet maar wat net even toereikt om niet van honger te sterven, maar wat genoegzaam is om als een mensch onder de menschen, in den stand waarin ?.ns heeft geplaatst, vrij en blij te kunnen leven in den dienst van zijn (xod. Om dus te kunnen leven, om dit te vermogen, is het dus ook zelfphcht, te streven naar „vermogen", naar een mate van eigendom op stoffelijk goed, die ons meer doet vermogen dan alleen onze behoefte aan voedsel en deksel te bevredigen.

De heilige liefde, opbloeiend uit het geloof, waarmee wij God boven alles en ons zelf om God liefhebben, zal ons dus zoo naar het verwerven als naar het bewaren en gebruiken van vermogen doen streven.

J' "e heilige liefde, zal ons ons eigendom doen bewaren; er ons zorg voor doen dragen, dat wij, eens vermogend geworden, vermogend blijven; dat wij de macht om meer te kunnen dan alleen in onze dringende behoefte, onze „nooddruft", te voorzien, niet verliezen. Want voor den geloovige is dit zijn „vermogen" een gave van zijn God; is ook van dit zijn goed zijn God de volstrekte Eigenaar en hij zelf tegenover zijn God er niet meer dan de verantwoordelijke rentmeester van.

De onheilige eigenliefde, opspruitend uit het ongeloof, waarmee wij ons zelf buiten en boven God liefhebben, doet echter niet alleen de natuurdrift naar bezit, maar ook de zedelijke begeerte naar vermogen ontstaan in de zonde van hebzucht, van gierigheid.

Gierigheid, een woord, dat samenhangt met „begeeren", was vroeger het eéne woord voor al zulk zelfzuchtig begeeren naar eigendom; zelfzuchtig, omdat men er niet God, maar zich zelf mee wil dienen. En wijl nu „geld het ruilmiddel en de waardemeter is bij alle stoffelijk goed, spreekt men van de „geldgierigheid". Wanneer wij dan ook in onze Statenvertaling lezen : „Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad" (1 Tim. 6:10), moeten wij daarbij volstrekt niet alleen denken aan wat wij thans „gierig" noemen, aan „vrekheid", maar aan „geldzucht" in den ruimsten zin.

Dit zondig, wijl zelfzuchtig begeeren naar eigendom, deze „gierigheid", hetzij dan in het verwerven, hetzij in het bewaren en gebruiken zich Van *s Hf.f.rf.n Ordinantiën IV.