Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

heid" — het laatste woord nu genomen in den zin van het zondig, wijl zelfzuchtig begeeren naar eigendom — waartegen dit gebod ingaat.

Maar juist omdat dit stelen en deze diefstal de meest krasse uiting dezer zonde is, ligt in het gebod veel meer dan wat men gewoonlijk onder stelen en diefstal verstaat, en hebben wij dan ook getracht, dit meerdere in de voorgaande hoofdstukken aan te wijzen.

Maar ook zóó zijt gij er dan nog niet; verstaat gij dit gebod nog niet in zijn volle beteekenis.

In de Liturgie onzer kerken, in het „gebed des Zondags vóór de predikatie" — een gebed dat, bij alle erkenning van het goed recht der „vrije gebeden", toch wel eens, meer dan gewoonlijk geschiedt, mocht worden gebruikt — belijden wij voor onzen God : „Want behalve, dat wij allen door de erfzonde voor U onrein en kinderen des toorns zijn, ontvangen uit zondig zaad en in ongerechtigheid geboren, waardoor allerhande booze lusten, tegen U en onzen naaste strijdende, in ons wonen, zoo hebben wij nog met de daad menigmaal en zonder einde overtreden, nalatende wat Gij ons geboden hadt, en doende wat ons klaar lijk verboden was."

In dit voortreffelijk stuk uit de „belijdenis van zonden", waarmee bedoeld gebed aanvangt, is het ons hier te doen om de laatste, de door ons gecursiveerde woorden. Daar is zond^ en daar zijn zond en. Aangeboren zonde en dadelijke zondew. En wat nu de laatste betreft, moet ge daarbij niet alleen zien op het doen van wat verboden is, maar ook op het niet-doen, het nalaten van wat geboden is. De oude onderscheiding alzoo der Christelijke Theologie van peccata commissionis en peccata omissionis of: „zonden van bedrijf en zonden van verzuimenis of nalatigheid". En zoo nu hebt gij ook bij het achtste gebod niet alleen verder en dieper te zien dan de meest krasse uiting, welke men gewoonlijk stelen en diefstal noemt, en dus door te dringen tot al wat daarachter ligt; door te dringen, tot gij uitkomt bij die booze lusten in betrekking tot het aardsche goed, tot den eigendom, welke, strijdende tegen God en onzen naaste, in ons wonen; — maar ge hebt bij dat gebod bovendien ook nog te zien, niet maar alleen op uw zonden van bedrijf, maar ook op uw zonden van verzuimenis; niet maar alleen op wat gij gedaan, maar ook op wat gij niet-gedaan, op wat gij nagelaten hebt.

Eerst dan zijt gij er; verstaat gij het achtste gebod.

Eerst dan gaat gij, ook al hebt gij nooit wat men gewoonlijk noemt „gestolen", en van uw leven geen „diefstal" gepleegd — u schuldig weten ook aan het achtste gebod.

Eerst dan zal uw conscientie, uw zedelijke zelfbeoordeeling, u veroordeelen, u aanklagen, dat gij ook tegen dit gebod van uw God zwaarlijk hebt gezondigd, en ook dit gebod van uw God

Sluiten