Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EIGENDOM. — ZONDIGEN IN BETREKKING TOT DES NAASTEN ENZ.

men eerst wat de Duitschers noemen een „vóór-leven" moet hebben gehad, om te weten wat zonde en genade is, èn dat een bekeerde, in wien de zonde niet meer heerscht, gelijk zou staan met een onbekeerde, in wien zij nog heerschappij voert. Want, wat dit laatste betreft, kan het ook wel in een toegebracht kind des Heeren tot schrikkelijk uitbreken van een zonde komen; een zondige begeerte aangroeien tot een passie, een hartstocht, waarbij het goede willen, als een overheid in dagen van revolutie, zijn stuur over het zielbeweeg kwijtraakt; het vleesch kan voor een tijd triomfeeren over den geest; het kan komen tot een diepen val — maar toch is dit niet het gewone, het normale.

En dat nu ook de Gereformeerde kerken er zoo en niet anders over hebben geoordeeld, blijkt o. m. uit ons Formulier om het Heilig Avondmaal te houden, waarin, om ons nu maar te bepalen tot het achtste gebod, aan alle „dieven, woekeraars, roovers, spelers, gierigaards en aan al degenen, die een ergerlijk leven leiden, deze allen, zoo lang zij in zulke zonden blijven," bevolen wordt zich van de tafel des Heeren, van de spijze, welke Christus alleen voor Zijn geloovigen verordineerd heeft, te onthouden.

Daarom hebben wij dan ook, zoo bij de bespreking der vorige geboden, als bij die van het achtste gebod, waar het ons te doen was om den geestelijken zin van de Wet te doen uitkomen; om de Tien geboden te doen verstaan als de ordinantie des Heeren in de zedelijke wereldorde; steeds getracht, de gradatie in de zonde klaar en duidelijk in het licht te stellen. Ook in dit laatste hoofdstuk over het achtste gebod, waarin het gaat over de zonden in betrekking tot den eigendom van den naaste, zullen wij trachten aan deze wijze van behandeling getrouw te blijven.

Gelijk bij het zondig willen en handelen in betrekking tot ons eigendom, hebben wij ook hier, bij het zondig willen en handelen in betrekking tot vreemd eigendom, te onderscheiden tusschen het verwerven en tusschen het bewaren en gebruiken.

Met deze onderscheiding kruist zich dan die andere van het meer openlijk en het meer verborgen zondigen tegen dit gebod. Het is deze laatste onderscheiding, welke ook onze Heidelbergsche Catechismus in antwoord 11 o op het oog heeft, wanneer hij spreekt van een stelen, hetwelk de Overheid straft, en een stelen wat de Overheid niet straft, in welk laatste soort van stelen hij dan weer nadere onderscheidingen maakt.

Behalve toch het terrein van het verborgene, van het zich niet in handelingen uitend wilsleven, dat geheel buiten de Overheid omgaat, is er ook nog een stuk van het openlijke, van het zich wel in handelingen uitend wilsleven, dat aan haar waakzaam oog ontsnapt.

Sluiten