Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAARHEID. — LETTERLIJKE ZIN VAN HET GEBOD.

noodzakelijkheid opgekomen uit de door God zelf gestelde natuurlijke verhoudingen van het menschelijk gemeenschapsleven en uit de algemeene beseffen van goed en slecht in het zedelijk bewustzijn der menschen.

Daarom is het recht, het menschelijk recht, hetzij als gewoonte hetzij als wet, een macht, een zedelijke macht, waaraan de eenling, te midden van de gemeenschap, zich gebonden weet, waaraan hij zich om der conscientie wil onderwerpt. Want wel is er, juist omdat er èn in de natuurlijke verhoudingen van het menschelijk gemeenschapsleven èn in het zedelijk bewustzijn der menschen, een al rijker ontwikkeling is, ook een ontwikkeling in het menschelijk recht, en moet daarom het menschelijk recht, om te blijven passen voor het leven, steeds gewijzigd, vermeerderd, verbeterd, maar daarbij blijven de diepste beginselen onveranderd, en moeten ook de meer verwijderde, die men als nieuwe beginselen in de wetgeving indraagt, niet minder dan die diepste beginselen weerklank vinden in het zedelijk bewustzijn.

Tusschen het recht dat vastgesteld is door menschen, en het recht dat vastgesteld moet worden; tusschen het positieve en het ideëele, het menschelijke en het Goddelijke recht, moet zekere overeenkomst zijn.

De hooge beteekenis nu van het gericht of de rechtspraak onder menschen komt uit in dat woord van Mozes tot de rechters van Israël: „Gij zult het aangezicht in het gericht niet kennen; gij zult den kleine, zoowel als den groote, hooren; gij zult niet vreezen voor iemands aangezicht, zvant hetgcricht is Godes." (Deuteronomium 1 : 17.)

In dit machtig woord, dat wel verdiende op de muren van de rechtzalen te worden gebeiteld, ligt de gedachte, dat, wijl God de Rechter is — „zou de Rgchter der gansche aarde geen recht doen?" zoo vraagt Abraham in zijn bidden tot God (Genesis 18 : 25) — de rechtspraak toekomt aan Hem. Hij toch is het, die de rechtsordening der verwisselende gerechtigheid beschermt en bewaart; Hij toch is het, die de vergeldende gerechtigheid, door „een iegelijk te vergelden naar zijne werken" (Rom. 2 : 6), door loon en straf, naar ieder geldt, naar ieder verdient of waardig is, uit te deelen — handhaaft, als tijdelijke gerechtigheid ook op aarde handhaaft.

En evenals nu alle gezag over menschen zijn grond heeft in Gods souvereiniteit over Zijn schepsel, en alle gezag, dat menschen over menschen oefenen, niet anders is, dan dat het Gode belieft, den eenen mensch door de hand van den anderen te regeeren, zoo heeft ook alle rechtspraak onder menschen haar grond in de eigen rechtspraak Gods. De aardsche rechter is in zijn rechtspreken plaatsvervanger Gods, en mitsdien aan Hem verantwoordelijk. In dien zin spreekt de Schrift dan ook van het naderen tot den rechter als van een raad vragen, een raadplegen van God (Exodus 18:15); van het staan voor het aangezicht van den rechter, als van een staan voor het aangezicht des Heeren (Deuteronomium 19): 17) ja, sterker nog, in sommige Schriftuurplaatsen lezen wij, met kennelijke toespeling op de rechters, van een „tot de goden brengen" (Exodus 21 : 6); van een „tot de goden gebracht worden" (Exodus 22 : 8); en in Psalm 82 : 6 heet het van de

Sluiten