Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 's HEEREN ORDINANTIËN.

voerig van handelt; heet het ook in Exodus 23 : i. „Gij zult geen valsch gerucht opnemen; *n stelt uwe hand niet bij den goddelooze, om een getuige tot geweld te zijn." Verboden wordt hier, een valsch gerucht te verbreiden, maar ook hem, die ongelijk heeft, niet de hand te bieden, door een ongerechtig getuige te zijn.

pe Spreukendichter zegt: „Een valsch getuige zal niet onschuldig zijn, en die leugenen blaast, zal niet ontkomen" (h. 19 : 5), m. a. w. een valsch getuige blijft niet ongestraft. „Een Belialsgetuige bespot het recht, en de mond der goddeloozen slokt de ongerechtigheid in" (vs. 28), m. a. w. een nietswaardige, een deugniet, die getuigenis aflegt, spot met de rechtspraak, en der boozen mond zwelgt onrecht in. „Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige der valschlieden bedrog." (h. 12:17.) „Een leugenachtig getuige zal vergaan." (h. 21 : 28.) En dat zelfs in Israël het valsch getuigen een niet ongewone zonde was, blijkt wel uit het klagen van den psalmist: „want valsche getuigen zijn tegen mij opgestaan" (Psalm 27:12); „wrevelige getuigen staan er op ; hetgeen ik niet weet, eischen zij van mij." (Psalm 35 : 11.)

Verstaan wij onder leugen een met voorbedacht uitgesproken onwaarheid of, zooals reeds Augustinus en op zijn voetspoor de Roomsche en Gereformeerde moralisten zeiden: een gewilde bewering van het valsche om te bedriegen, het negende gebod noemt wel bepaald den schrikkelijksten vorm van de leugen in het valsch getuigen bij den rechter, maar verbiedt daarin tevens, naar den geestelijken zin waarin de Wet moet verstaan, alle leugen en liegen. En allerminst gaat dan ook bij dit negende gebod hij reeds vrijuit, die zich nooit aan een valsch getuigenis bij den rechter heeft schuldig gemaakt.

Uit de zooeven gegeven definitie van de leugen blijkt, dat er bij haar drie bestanddeelen zijn: dat hetgeen wat beweerd of uitgesproken wordt, valsch is; dat er een willen is om wat valsch is te beweren; en eindelijk, dat er een intentie, een bedoelen, is om te bedriegen.

Is toch het valsche de tegenstelling van het ware, staat de leugen tegenover de waarheid, bij het begrip waarheid hebben wij drieërlei te onderscheiden.

Men spreekt gewoonlijk van metaphysische, logische en ethische waarheid.

Onder de metaphysische waarheid verstaat men de wezenheid der dingen. Van eeuwigheid, en dus reeds van vóór de schepping, zijn alle dingen in het denken Gods, en zooals zij als de eeuwige ideeën in Gods denken bestaan, is hun wezen. In dien zin is ieder wezen waar, en is de metaphysische waarheid van 'n ding, dat het is wat het is. Voor ons kan de schijn bedriegen, kan er verschil zijn tusschen schijn en "wezen; voor God is er geen schijn, die het wezen bedekt. Hij kent alle dingen.

In dien zin nu spreken wij van echt of waar tegenover valsch goud; van echte of ware vriendschap tegenover valsche vriendschap.

Sluiten