Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAARHEID. — WAARHEIDSZIN EK EERGEVOEL.

Deze bepaalde wijze van zondigen nu is: het liegen of het anders spreken dan men denkt, met het doel om daardoor zijn naaste te bedriegen.

Letterlijk zit dus in het negende gebod het verbod om, wanneer men daarover door den rechter wordt ondervraagd, anders te spreken dan men denkt, dan men weet omtrent den naaste op het stuk van wat hij gedaan heeft, en wel met het doel om den rechter daarmede te bedriegen, te misleiden. De verschillende motieven of beweegredenen tot zulk liegen als: medelijden met of vijandschap tegen den beschuldigde of ook vrees voor ons eigen welzijn, kunnen hier blijven rusten. Alleen zij er hier op gewezen, hoe dit een liegc?i is, „hetwelk de Overheid straft ; hoe ook onze strafwet het valsch getuigen voor den rechter met straf bedreigt.

Allereerst nu mag uit het negende gebod afgeleid, dat niet alleen het hegen tegen den rechter, maar alle liegen, dus ook het liegen in het onderling verkeer, wordt verboden. Verder, dat het anders spreken dan men denkt, dan men weet op het stuk van wat onze naaste gezegd en gedaan heeft, ook in het onderling verkeer is verboden.

En wijl wij nu alleen uit wat de menschen, met wie wij omgaan, zeggen en doen, uit hun woorden en daden, kunnen leeren kennen dé waarde, die zij hebben voor het gemeenschapsleven, m. a. w. wat zij daarin waard zijn oi gelden, — men denke hier b. v. aan den dienstknecht van den officier uit Kapernaüm, „die hem zeer waard was", en aan dien officier zelf, van wien de Joodsche oudsten tot Jezus zeiden: „Hij is waardig, dat Gij hem dat doet, want hij heeft ons volk lief en heeft zelf ons de synagoge gebouwd," (vgl. Lukas 7:2, 4 en 5) — wijl dan uit der menschen woorden en daden deze hun waarde of ook hun onwaarde blijkt, mag uit het negende gebod, zooals dan ook altijd is gedaan,^ als wettige gevolgtrekking worden afgeleid, dat daarin verboden is, op het stuk van deze waarde of onwaarde onzer medemenschen anders te spreken dan men denkt, dan men door eigen ervaring weet, m. a. w. dat verboden is, daaromtrent te liegen.

Bedoelde waarde toch hangt, zooals wij reeds zeiden, saam met wat iemand geldt in de samenleving, met de achting die hij verdient, de eere waarop hij recht heeft, de vereering, die men hem toebrengt; en in dien zin spreken wij dan ook van iemands eere. En wijl nu de naam in hooger zin openbaring van het wezen is, en iemands wezen zich openbaart in zijn woorden en daden, dekt zich het begrip van „naam" met het oordeel dat wij over onze medemenschen en zij over ons hebben • dekt het begrip van naam zich met &e fama, de faam, het gerucht,' den roep, die van 'n mensch in de samenleving uitgaat. Wij spreken van: „den naam waarin iemand staat", en die „naam" kan dan een goede of ook een slechte naam zijn, al naarmate het oordeel gunstig dan wel ongunstig is; al naarmate aan 'n mensch, om zijn waarde die hij voor de samenleving heeft, achting of eere wordt toegekend; dan wel, om deze zijn onwaarde of ook zijn minderwaardigheid, achting en eere öf geheel óf gedeeltelijk wordt ontzegd.

Sluiten