Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

God. En de meer oppervlakkige naturen zijn al spoedig met zich zelf voldaan; blij, dat zij geen dieven en moordenaars, geen misdadigers van professie zijn; blij, dat zij in zich zelf nu en dan neigingen ontdekken om iets voor een ander te doen, bevliegingen van weldadigheid en aanvliegingen van hulpvaardigheid; nu ja, zij mogen dan hun „zondetjes" hebben, hun „zwakheden", — dit resultaat van hun zelfonderzoek hindert allerminst aan hun blijde zelfvoldaanheid, want „het volmaakte is er nu eenmaal niet in deze wereld" en „een heilige te wezen is ook niet noodig".

Daarom is de zelfcritiek van den wereldschen mensch dan ook altijd onvoldoende.

Anders staat dit echter bij den Christen; bij het kind des Heeren; bij hem, wiens ziel door wederbarende genade ten leven kwam.

Zijn norm, zijn maatstaf is dan de heilige Wet van zijn God, die hij in haar geestelijken zin leert verstaan.

Hij wil naar die Wet heel zijn innerlijk zielbeweeg beoordeelen; maar als hij dan zich zelf onderzoekt en beproeft, ontdekt hij, hoe, ook waar hij geen misdadiger is, hij toch in zijn denken en willen, zijn begeeren en al wat daar van streven achter ligt, „tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en derzelve geen gehouden heeft"; dan ontdekt hij, dat, ook waar hij thans met den psalmist mag zingen: „God heb ik lief" en hij daarom „een hartelijken lust heeft om niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods te leven", — dan ontdekt hij, dat hij „nog steeds tot alle boosheid geneigd is", ja zelfs, dat hij het goede wat hij wil, niet doet, maar het kwade doet wat hij niet wil.

En dat wordt hem dan een schuld; een vallen voor het recht van God; een zoeken en aangrijpen van de gerechtigheid van Christus.

En wanneer dan zulk een mensch dit zelfonderzoek voortzet en zich verheugen mag over den voortgang, maar zich ook vaak bedroeven moet over de verachtering van zijn geestelijk leven, — dan is zulk een mensch waar voor zich zelf.

Zulk een mensch verblijdt zich dan niet in de ongerechtigheid, in zijn eigen ongerechtigheid, want zijn eigen ongerechtigheden, de kleine zoowel als de groote, zijn hem tot een smart, tot een afschuw; maar hij verblijdt zich over de gerechtigheid, die Christus voor hem verworven heeft en in hem werkt.

In de ziel van zulk een mensch toch woont de liefde, en met de liefde de waarheid, en die verblijden zich saam over de gerechtigheid.

Het is dit betrachten van waarheidszin tegenover ons zelf; dit „waar zijn voor zich zelf"; wat ons in het negende gebod als zelfplicht allereerst wordt geboden.

Maar in dit gebod wordt ons ook nog iets anders als zelfplicht geboden. Wij hebben reeds gezien, hoe het ook in verband staat met den naam van den naaste. En waar dit nu onze sociale, of onze

Sluiten