Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

zeggen tot Zijn broeders doet Hij niet anders dan Zijn voornemen voorzichtiglijk verzwijgen. De Heere sprak tegenover hen niet anders dan Hij dacht, ook al sprak Hij niet alles voor hen uit wat Hij toen dacht.

Een dergelijke voorzichtigheid te betrachten, waarbij men, zonder in het minst aan de waarheid te kort te doen, niet alles zegt wat men denkt of weet, kan vaak niet alleen zelfplicht, maar ook plicht tegenover onze naasten zijn. Zelfplicht, wanneer wij, door ontijdig spreken anderen met ons voornemen bekend makend, als in het zooeven besproken geval des Heeren, ons zelf noodeloos in gevaar zouden begeven; zelfplicht, wanneer men, door zijn voornemen voor anderen uit te spreken, zich zelf noodeloos schade zou berokkenen in zijn handel of bedrijf; zelfplicht ook, wanneer men, door ontijdig te spreken van zijn eigen vroegere zonden, zijn achting en invloed bij anderen zou inboeten. Het ware berouw houdt bovendien geen tentoonstelling van de zonden des verledens, van wat, in droefheid naar God, voor Hem en, als het moest, ook voor de menschen eenmaal is beleden.

Maar voorzichtigheid in het spreken; het zwijgen over veel wat men weet, en dus niet alles zeggen wat men weet; kan ook plicht tegenover uw naasten zijn,

Zoo is het niet alleen, voor wie een „droevig eertijds" achter zich heeft, zelfplicht, maar ook plicht tegenover zijn naasten, daar niet ontijdig over te spreken. Het ontdekken van wat beter verborgen blijft; het rauwelings spreken over de ongerechtigheden van het „verleden" — gelijk dat in sommige kringen zede is — kan, met name in het bijzijn van jonge menschen, zoo nameloos veel kwaad stichten. Het kan, al is het ook niet altijd zoo bedoeld, tot „kwade samensprekingen worden, die goede zeden verderven" (i Corinthe 15:33); het kan in jonge zielen de dwaling brengen, dat aan een waarachtige bekeering eigenlijk een leven in bandeloosheid vooraf moet gaan, en dan, met de gedachte „dat men zich later wel zal bekeeren" — deze theorie omzetten in een slordige en schandelijke levenspractijk.

En zoo is het ook plicht, om over wat anderen ons in vertrouwen hebben medegedeeld, te zwijgen, m. a. w. geheimen te bewaren. Onder de menschen met wie wij verkeeren, zijn er, waaraan wij met inniger banden dan met anderen verbonden zijn. Als de hoofdman te Cesarea, Cornelius, hebben ook wij onze „bijzonderste vrienden" (Handelingen 10: 24), menschen op wier vertrouwen wij staat maken, voor wie wij uitstorten ons hart, gelijk zij dat doen voor ons. Ook de echt zedelijke verhouding tusschen man en vrouw, tusschen

Sluiten