Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAARHEID. — WAARHEID SPREKEN.

ouders en hun kinderen, tusschen broeders en zusters, schept een wederkeerige vertrouwelijkheid. Bovendien zijn er zekere ambten, wier dragers, juist krachtens hun ambt, de meest intieme en vertrouwelijke mededeelingen van hun medemenschen te hooren krijgen.

In al zulke gevallen is het niet alleen plicht, de ons toevertrouwde geheimen te bewaren en ze dus niet ongevraagd aan anderen mee te deelen, maar, en dit is vaak wel het moeilijkste, ze ook zoo goed en lang mogelijk te bewaren, als ons er naar gevraagd wordt.

Het liefdeloos verraad steekt zich vaak in het kleed van de waarheidsliefde. Judas heeft niets dan de waarheid gezegd, toen hij den Heiland verried.

De Schrift veroordeelt deze trouweloosheid. „ Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak." (Spr. 11 : 13.)

Zeer streng is op dit stuk ook de Roomsche leer van het biechtgeheim. Niets wat onder het sigillum con/essionis, „het zegel van de biecht", aan den biechtvader door den biechteling omtrent zich zelf of anderen tot sacramenteele belijdenis van zonden is medegedeeld, mag ooit door den biechtvader worden bekend gemaakt. Slechts met uitdrukkelijke en vrijwillige toestemming van den poenitent, en dan nog alleen om zeer gewichtige redenen, kan hierop een uitzondering gemaakt. Zelfs als getuige voor het gerecht mag de biechtvader van het hem in de biecht toevertrouwde onder geenerlei voorwaarde gebruik maken. Vele burgerlijke wetgevingen houden met dezen plicht van den Roomschen geestelijke dan ook rekening. En hoewel de Roomsche kerk op de overtreding van dezen plicht zeer zware kerkelijke straffen heeft gesteld, mag zij er zich op beroemen, dat, voor zoover bekend is, het sigillum con/essionis, door de eeuwen heen, nog nooit door een harer dienaren is geschonden.

Ook wanneer onder ons, Gereformeerden, iemand zich gedrongen voelt, hetzij aan zijn medebroeder, hetzij aan een kerkelijk ambtsdrager, zijn zonde te belijden, moet hij de zekerheid hebben, dat hij op geheimhouding kan rekenen. Wat ons, al kennen wij ook geen „biecht", in vertrouwen is medegedeeld, mag, naar eisch der liefde en der gerechtigheid, niet aan derden geopenbaard. Een zielzorger, die zijn taak verstaat, zal dan bij wie hem zijn zonden dus beleden heeft, aandringen om zijn schuld ook voor de menschen zoo mogelijk te herstellen.

Evenwel heeft de plicht om ons toevertrouwde geheimen te bewaren, zijn grenzen.

Wanneer toch een ons toevertrouwd geheim tot zwaar nadeel van derden strekt, of ook van hem, die het ons toevertrouwd heeft, is het juist plicht der liefde en der gerechtigheid, het te openbaren.

Dit geldt allereerst van toekomstige handelingen.

Het maakt verschil, of iemand u in vertrouwen mededeelt: ik heb gezondigd, dan wel: ik wil zondigen, m. a. w. u zijn voornemen te kennen geeft

Sluiten