Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

Wat in het: Gij zult geene valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste, naar de letter verboden wordt — het voor den aardschen rechter, desgevraagd, omtrent onzen naaste valsch te getuigen, is reeds in het eerste hoofdstuk over dit gebod besproken en kan dus hier blijven rusten. Alleen zij hier nog eens opgemerkt, dat dit een liegen is, „hetwelk ook de Overheid straft".

Wat nu betreft den geestelijken zin van het negende gebod, dan wordt ons hier allereerst verboden het liegen of het tot onzen naaste anders spreken dan wij denken; verder het over onzen naaste anders spreken dan wij denken, en bepaaldelijk het kwaad van hem spreken, waardoor wij zijn naam aanranden ; en eindelijk het kwaad van hem denken.

In dit hoofdstuk zullen wij aanvangen met de bespreking van de leugen, terwijl wij in een volgend van de zonden tegen den naam van den naaste hopen te handelen.

Onder leugen verstaan wij een met voordacht of opzettelijkheid uitgesproken onwaarheid. Niet alle onwaarheid spreken toch is liegen, en niet alle uitgesproken onwaarheid een leugen. Wanneer in vroeger eeuw de menschen zeiden, dat de aarde stilstaat en de zon zich om haar beweegt, dan was dat wel een onwaarheid, maar geen leugen. Een onwaarheid, omdat het anders is dan zij dachten, omdat de werkelijkheid niet met hun denken in overeenstemming was, m. a. %v. een logische onwaarheid; maar toch geen leugen, want hun spreken was in overeenstemming met hun denken, omdat zij spraken naar hun beste weten, naar hun overtuiging; m. a. w. het was ethische of zedelijke waarheid. Bij leugen, in enger zin althans, is dus altijd noodig voordacht of opzet; het wetens en willens uitspreken van een onwaarheid. Wie onwetend 'n onwaarheid zegt, liegt niet, al is het ook, dat men daarbij rekening moet houden, of zijn onwetendheid al of niet door hem te overwinnen ware geweest. Wie daarentegen wetens een onwaarheid zegt en dus liegt, maar daarbij gedrongen wordt door vrees — gelijk dit dikwijls bij kinderen voorkomt en ook wel bij volwassenen — zondigt altijd, al is het ook, dat, wijl zijn willen geknecht wordt door het zijn ziel neerdrukkend affect van vrees, zijn zondigen minder zwaar is, dan wanneer hij geheel vrijwillig zou liegen.

De in de Christelijke zedeleer classiek geworden definitie of bepaling van de leugen, die men wezenlijk reeds bij Augustinus vindt, en door de Roomsche en Gereformeerde moralisten werd overgenomen, is: leugen is een gewilde bewering van het valsche, om te bedriegen (voluntaria falsi enunciatio fallendi causa).

In de oud-Christelijke letterkunde hebben wij een voor dit onderwerp nog altijd lezenswaardig geschrift van den grooten kerkvader Augustinus (f 430), den Christen-wijsgeer, aan wien niet alleen de Theologie, maar

Sluiten