Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAARHEID. — LIEGEN.

In sterker mate nog dan de schertsleugen, is door onze Gereformeerde moralisten de noodleugen (mendacium officiosum) veroordeeld. Wanneer dan ook onze Heidelberger Catechismus spreekt „van allerlei liegen en bedriegen te vermijden", dan is het zeker geen gewaagde onderstelling, dat zijn opstellers bij dat allerlei bepaaldelijk aan de „noodleugen" hebben gedacht. De noodleugen is een, door anders spreken dan men denkt, zijn naaste bedriegen, met het doel om óf zich zelf, öf den naaste óf een derde van dienst te zijn, te helpen; een „liegen dus om bestwil" ; een liegen uit nood.

Noodleugen zou, daar liegen zonde is, alzoo een noodzonde zijn; maar wijl wij nooit mogen zondigen, en er dus ook geen noodzonde mag wezen, mag er ook geen noodleugen zijn. Scherp maar juist heeft dan ook Nicolaas Beets ergens gezegd: „Om de noodleugen te verdedigen, zou men haar plichtleugen moeten noemen."

De wijsgeer Kant bestreed, naar ons inzien, volkomen juist, dat er een recht zou bestaan om uit menschenliefde te liegen; hij noemt zulk een recht slechts een vermeend, een voorgewend recht. Wie bedenkt, dat plicht de door de zedewet geboden wijze van handelen is, zal niet licht durven beweren, dat er een plicht tot liegen kan bestaan.

Met dit al wordt er in de wereld meest uit nood gelogen, en bestond er en bestaat er onder de zedeleeraars verschil, of zulk liegen al dan niet zonde, en mitsdien ongeoorloofd is.

Volgens Rousseau, den Franschen wijsgeer, was de vraag over de noodleugen reeds beslist. „Negatief in de boeken, waar de meest strenge moraal aan de schrijvers niets kost. Positief in de wereld, waar de boekenmoraal voor gebabbel doorgaat, wijl zij toch onmogelijk in practijk is te brengen."

Zonderlinge opvatting van de moraal der boeken en die der wereld! Zonderling ook door haar onjuistheid, want de quaestie van de noodleugen is volstrekt niet beslist, noch in de theorie, noch in de practijk.

Er zijn nog altijd moralisten, die haar verdedigen, tegenover anderen, die haar bestrijden, en in het leven ontmoet ge nog altijd menschen, die haar voor zondig, en anderen, die haar voor geoorloofd houden. Dat gij weinig menschen ontmoet, die zich niet wel eens van een noodleugen bediend hebben, doet er niet toe. De zedeleer toch vraagt niet naar wat is, maar naar wat moet zijn; en ons zedelijk bewustzijn is, omdat wij tot onzen dood zondige menschen blijven, niet altijd in overeenstemming met ons zedelijk handelen.

Wat nu de „moraal der boeken" betreft, is onder de wijsgeeren, om slechts enkelen te noemen, de noodleugen verdedigd door Plato en de Stoïcijnen; veroordeeld daarentegen door Kant en door J. G. Fichte.

Onder de theologen vond zij haar verdedigers bij sommige kerkvaders; bij Luther, bij de Mennisten, de Socinianen en ook bij de Remonstranten;

Sluiten