Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

having der vergeldende gerechtigheid in deze wereld dienen, bevorderen.

Dit geldt wel allereerst van het ondervragen en getuigen bij den rechter, maar verder ook van alle ondervragen en getuigen omtrent gepleegd onrecht door daartoe bevoegden. Nooit mag men, om zelf rechtvaardige straf te ontgaan of anderen te doen ontgaan, liegen. Natuurlijk wil dit allerminst zeggen, dat men alle onrecht, hetzij zelf, hetzij door anderen gedaan, aan ieder, die 't maar hooren wil, moet mededeelen. Het is toch eer plicht, om veel te zwijgen wat men weet, dan alles te zeggen wat men denkt, en het noodeloos openbaren van eigen en anderer zonden is altijd onzedelijk. Maar wel wil dit zeggen, dat men, door bevoegden ondervraagd, niet, om zich zelf of zijn naaste uit den nood van het kwaad des verdienden lijdens te helpen, mag liegen.

Door onbescheidenen en onbevoegden gevraagd naar onrecht, door ons zelf of anderen gepleegd, en waarmee zij niets te maken hebben, blijft men het antwoord schuldig, en bij nader aandringen wijst men zulk een onbescheiden vrager af.

Doch daar doen zich in het leven ook andere „gevallen" voor.

De verdedigers van de noodleugen wijzen gewoonlijk op die gevallen, waarin door een opzettelijke afwijking van de waarheid geen schade, maar door haar uit te spreken een ongeluk zou ontstaan. Het bekende voorbeeld is dan dat van een waanzinnige of een door hartstocht verblinde, die, met moordplannen vervuld, u naar de u bekende schuilplaats van zijn slachtoffer vraagt.

Dat men dan echter zou moeten liegen, kunnen wij allerminst inzien. Ook door liegen ontstaat schade, zedelijke schade, en dit ware het zedelijke opofferen aan het nuttige; het zedelijke kwaad verkiezen boven het natuurlijke. Iets wat, zooals boven is aangewezen, nooit mag.

Maar even beslist mag men in zulk een geval ook niet de waarheid zeggen, want dit ware medeplichtig worden aan moord.

Toch is dit geval, dat zeker niet alledaagsch is, niet zoo heel moeilijk en kan allerminst dienen om de onmisbaarheid van de noodleugen te bewijzen.

Allereerst zal een besliste weigering om zulk een vrager van antwoord te dienen, hem derwijs schokken, dat er kans voor hem op bezinning bestaat. Gelukt dit echter niet, dan is het plicht, tegenover hem geweld te gebruiken. Is ook dit onmogelijk, dan heeft men wel te bedenken, dat zulk een mensch, door zijn optreden, zelf de zedelijke gemeenschap tijdelijk verbroken heeft, en men krijgt dan een analoog geval met dat, waarin twee volkeren in oorlog zijn.

Krijgslist is dan ook, volgens de Schrift, geoorloofd.

En zeker mag en moet men dan, zonder te liegen, zonder te zeggen, dat men niet weet waar de gezochte zit, maar ook zonder de waarheid te openbaren, door een Hst den vervolger van den weg trachten te brengen, en dus het slachtoffer zoeken te sparen en hèm te bewaren voor moord.

Sluiten