Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAARHEID. — DE NOODLEUGEN.

Andere voorbeelden zijn die van het waarheid spreken tegenover kranken, kinderen en krankzinnigen.

Wat den kranke betreft, men kan van schrik sterven, al gebeurt dat nu ook niet zoo heel spoedig. Toch is het plicht, een kranke niet te verontrusten. Bij den innigen samenhang tusschen lichaam en ziel is het weerstandsvermogen van de laatste, bij ontsteltenis van het eerste, gewoonlijk zooveel minder. Wie b.v. aan een ernstig-kranke moeder plotseling het sterven van een harer kinderen mededeelt, heeft kans haar dood te veroorzaken.

Maar wanneer haar kind nu doodziek was en straks gestorven is, en de moeder er u dan naar vraagt?

Ook dan moogt gij er niet om liegen.

Hier is dan tact noodig.

De kranke heeft recht op waarheid, maar ook op een liefdevolle behandeling.

Niet plotseling, maar al voorbereidend, hebt ge dan uw droeve tijding te brengen, en onder Christenen, die weten, dat ook ons leven en dat onzer lieven in Gods hand is, zal die zware taak licht worden.

Een gansch ander geval is, dat men tegenover kranken zou moeten liegen, wanneer zij in levensgevaar zijn, of wanneer de zekerheid vrij groot is, dat hun einde nadert.

Dit is een barmhartigheid der goddeloozen, die wreed is. Men laat een mensch dan sterven als een dier.

Wanneer hij nog onbekeerd is, en de gedachte van te liggen voor de poorten der eeuwigheid hem wellicht tot bezinning zou hebben gebracht, zijt gij het, die deze gedachte hebt gebannen uit zijn ziel.

En wanneer hij reeds bekeerd is, zijt gij het, die met de valsche voorspiegelingen uwer goddelooze barmhartigheid, hem, zoo al niet verhindert, dan toch bemoeilijkt, zich voor te bereiden om zijn God te ontmoeten.

Anderzijds is het zeker ook eisch der Christelijke liefde om een kranke met voorzichtigheid en teederheid op stervensgevaar of naderend einde te wijzen. Ook daarbij toch geldt het woord van den Heiland : „Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo." (Matth. 7 : 12.)

En evenmin als tegenover kranken mag men tegenover kinderen van een noodleugen gebruik maken. Ook kinderen hebben recht op waarheid. De ouden spraken van een reverentia puerorum, van een „eerbied voor het kind", en niets verwart zoo het zedelijk oordeel van 'n kind, dan het groote-menschen-op-een-leugen-betrappen, vooral wanneer die groote menschen zijn ouders zijn. Toch wordt tot zulk een noodleugen veelal de toevlucht genomen, wanneer kinderen vragen gaan doen over het geslachtsleven. Nu is het zeker min wenschelijk, dat jonge kinderen daarvan weten, en als zij, veelal in hun onschuld, dergelijke vragen doen, moet men ze dan ook met een: „dat zal ik je later wel eens vertellen!" afwijzen. Maar dit „later" moet nu ook

Sluiten