Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAARHEID. — DE NOODLEUGEN.

en het recht des konings, niet dezen, maar Hem gehoorzaamd hadden; dat Hij ze beloonde niet om, maar niettegenstaande haar liegen.

Wie de theorie van de noodleugen niet te verdedigen heeft, kan in dit verhaal niet lezen, dat zij door God wordt goedgekeurd.

Erger nog maken de voorstanders van de noodleugen het, wanneer zij beweren, op grond van Exodus 3:18 en 5:3: de last des Heeren aan Mozes om aan Farao verlof te vragen voor de Israëlieten tot een driedaagsche reize in de woestijn — dat God zelf een noodleugen bevolen heeft.

Dit toch is kortweg godslasterlijk.

Wie dus de. Schrift verklaart, toont en weinig godsvrucht èn gemis aan inzicht in de leidingen Gods met een menschenhart. Ongetwijfeld was deze last des Heeren ernstig gemeend. Maar God wilde van den I' arao niet terstond het zwaarste vergen. Ware de koning op het verzoek ingegaan, hij zou dan ook straks aan den zwaarderen eisch des Heeren hebben kunnen gehoorzamen. Nu hij reeds tegenover den lichteren eisch zijn hart verstokte, was hij niet te verontschuldigen.

Evenmin wordt ook in het verhaal van Rachab, die de verspieders te Jericho in haar huis verbergt, de noodleugen goedgekeurd (Jozua 2). Wel w ordt daarin medegedeeld, dat zij tot de boden des konings zegt: „ik weet niet, waarheen die mannen gegaan zijn," (vs. 5) terwijl zij ze toch „verstoken had op het dak onder de vlasstoppelen" (vs. 6), en zij zich alzoo, om ze te redden, van een leugen bediende; wel wordt ook medegedeeld, dat haar en den haren lijfsbehoud zou worden geschonken ; maar haar leugen wordt alleen vermeld, niet beoordeeld. Èn wanneer dan ook Rachab, de hoer, in Hebreen 11 onder de voorbeelden des geloofs wordt genoemd, dan is dit niet. om haar liegen, maar om haar geloof; om haar vaste overtuiging, dat de Heere haar land aan Israël had gegeven (Joz. 2:9 — 11); om haar geloof, dat zich openbaarde in haar werk, „als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door eenen anderen weg uitgelaten" (Jak. 2:25).

Het geval eindelijk van de vrouw van Bahurim (2 Sam. 17), die Jonathan en Ahimaaz, Davids boodschappers, voor hun vervolgers verborg, door over den put, waarin zij afgedaald waren, een kleed te werpen en op dat kleed wat gerstekorrels te strooien, was een in oorlogstijd zeker volkomen geoorloofde krijgslist. Of zij zich later tegenover Absalom's knechten op hun vraag: „Waar zijn Ahimaaz en Jonathan?" van een leugen, een noodleugen bediende, is uit den tekst niet eens zeker op te maken.

Zoo bleek ons dan, dat ook met een beroep op de Schrift de noodleugen niet is goed te praten.

En al moet nu toegegeven, dat ook de Christen vaak voor gevallen komt te staan, waarin hij geen uitweg ziet dan een noodleugen, dit neemt het zondige van de noodleugen niet weg.

Nooit is zij geoorloofd.

En wie haar begaat, zondigt.

Sluiten