Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAARHEID. — ZONDIGEN TEGEN DEN NAAM VAN DEN NAASTE

te ontnemen, zijn eere te onttrekken. Niet altijd is de kwaadspreker zich echter van dit booze motief even helder bewust. Vaak is dit voor hem zelf verborgen achter het andere, van zijn naaste te critiseeren, of ook, wat wij in het „gezellig leven" zoo dikwijls ontmoeten, achter dat om maar stof tot gesprek te hebben. Menschen van kleinen geest weten vaak geen andere onderwerpen van discours voor conversatie, , dan over hun naaste te praten.

Een eigenaardige vorm neemt deze kwaadsprekendheid aan, wanneer zij tusschen vrienden of hen, die op andere wijze nauw met elkander verbonden zijn, argwaan of vijandschap tracht te stichten. Dit is de z.g. oorblazing. Onder de zes, die de Heere haat, ja zeven, die Zijner ziel een gruwel zijn, noemt de Spreukendichter ook : die tusschen broederen krakeelen inwerpt (Spr. 6: 19). En in het beeld, dat Paulus ons in Romeinen teekent van de heidenwereld, geeft hij ook een plaats aan de „oorblazers en achterklappers" (Rora. i : 30). Met een ijver, een betere zaak waardig, en een lafhartigheid, die zich openbaart in het bekende: „ik wil er de zegsman niet van wezen, maar weet je .wel, dat..." blaast de kwaadspreker dan in uw oor allerlei mededeelingen omtrent de gebreken, de zonden van uw naasten, met het min of meer bewuste doel, om de banden, die u aan dien naaste binden, te scheuren.

Behalve als oorblazerij vertoont de kwaadsprekendheid zich ook in het geheel-noodeloos spreken van anderer zonden op plaatsen, waar zij nog onbekend zijn; in het weer ophalen van wat lang vergeten was; in het uit lust aan schandaal telkens en telkens weer spreken van reeds openbaar geworden zonde van onzen naaste.

Zwaarder zonde dan het kwaadspreken in engeren zin, is de laster, of de leugenachtige bewering, waardoor de eer van den naaste met opzet geschonden wordt. Men dicht hem dan gebreken of slechte handelingen toe; of wel, men vergroot de gebreken die hij heeft, de slechte daden waaraan hij schuldig is: of eindelijk, men loochent of verkleint zijn verdiensten. Vooral dit laatste is een zonde, die met name door kleinzielige menschen wordt begaan. Multatuli heeft van dezen eens gezegd, hoe onder hen de regel geldt: „wat uitsteekt, moet geknot."

Eindelijk zondigt men tegen den naam van den naaste door smaad en schimp; door niet achter zijn rug, maar in zijn bijzijn, hem of de verschuldigde eerbetooning te onthouden, öf hem met woorden of daden te hoonen, te krenken.

Is de grondgedachte van het negende gebod de veritas ethica, de zedelijke waarheid, of de overeenstemming tusschen ons denken en spreken, — in betrekking tot den naam van den naaste zondigt men

Sluiten