Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

des naasten goed, dat onder bepaalde omstandigheden slecht is; slecht, omdat het on geordineerd, onrechtvaardig, afgunstig is.

Tegen dit begeeren nu gaat het tiende gebod.

Naar den regel voor de uitlegging der Tien geboden, hebben wij ook hier, in het tiende gebod, niet alleen te zien op wat de Heere ons verbiedt, maar ook op wat Hij ons daarin gebiedt. In het verbod toch zit het gebod.

En zien wij dan op den letterlijken zin van dit gebod, dan hadden onze oude zedeleeraars zeker gelijk met te zeggen, dat hier geboden wordt de tevredenheid; het voldaan zijn met wat men heeft, en het niet-begeeren naar wat men niet begeeren mag. Zeker, daar is een tevredenheid, die onzedelijk is. De zelfvoldaanheid van den Farizeër is eigengerechtigheid: de zelfgenoegzaamheid van den Stoïcijn is zelfbedrog; het niet-meer-streven naar verrijking van intellectueel of stoffelijk bezit kan althans traagheid of boos conservatisme zijn. En daarentegen is het streven naar lotsverbetering van de misdeelden, mits er zich geen afgunst tegenover de beter bedeelden in mengt, mits zij het trachten te bereiken op zedelijke wijze, mits welstand niet het hoogste goed worde, — is dit streven der misdeelden op zich zelf zeker niet te veroordeelen. En zoo ook is het zedelijk allerminst te laken, wanneer een vader voor zijn jongen, van wien hij weet, „dat er wat inzit", streeft naar een ietwat hoogere en betere levenspositie dan de zijne, al moet hij daarbij ook voorzichtig zijn met den stand af te roomen of het geleerde proletariaat te bevorderen.

Maar afgezien hiervan, is het niet-begeeren van wat men niet begeeren ?nag, en het voldaan zijn met wat men heeft, de ware tevredenheid, een deugd. De Schrift spreekt van haar als vergenoeging (i Timotheüs 6:6); zij is dat „vergenoegd zijn met het tegenwoordige", waartoe wij in Hebreën 13 : 5 worden vermaand; dat vergenoegd zijn in hetgeen men is, wat Paulus, in Filippensen 4: "> zegt te hebben geleerd. Het is deze tevredenheid, die, als elke andere deugd, op het innigst samenhangt met de godsvrucht, met den liefdevollen eerbied voor Hem, van Wiens vaderlijke hand alle ding ons toekomt; Wiens praedestinatie, Wiens voorbeschikking over alles gaat; aan Wiens voorzienigheid gij, als ge godvruchtig zijt, niets onttrekt.

Toch zoudt ge zóó het tiende gebod, met wat God er u in gebiedt en verbiedt, nog maar ten deele verstaan.

Om het in zijn diepte te doorzien, moeten wij dan ook hier, gelijk wij dat bij de andere geboden hebben gedaan, doordringen van den letterlijken tot den geestelijken zin.

Het is deze geestelijke zin, dien met name onze Heidelberger zoo uitnemend greep, wanneer hij achter de 113devraag: „Wateischt van

Sluiten