Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEGEEREN.

ons het tiende gebod?" als antwoord plaatst: «Dat ook de minste lust of gedachte tegen eenig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij te allen tijde van ganscher harte aller zonden vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben."

Zoo verstaan onze Gereformeerde kerken het tiende gebod.

Dit is op dit stuk een harer ethische dogmen.

Om dit nu in zijn rijke beteekenis te doorzien, moet ge u het menschelijk zieleleven, eerst afgedacht van de zonde en zooals het tot ons wezen behoort, eenigszins trachten in te denken.

Uit het diepst onzer ziel, uit wat nog ligt achter of onder het bewustzijn, komt op wat wij aanduiden als kennen en streven, en innig daarmee verbonden is, wat wij noemen het gevoel, het gevoel van lust en onlust. Het begint bij den mensch met streven. Met drift, natuurdrift. In het jonge kind merkt ge dat al. Eerst is er nog de donkere, niet gekende drift of drang om zijn onlust-gevoel, dat zich paart aan honger of koude, kwijt te raken, Zulk een kind begeert nog niets, want het kent nog niets, en er is geen begeerte van het onbekende. Eerst langzaam ontstaat uit zintuiglijke gewaarwording en waarneming kennis. Wanneer het eenmaal kent wat zijn natuurdrift bevredigt, begeert het. Straks, als het kind „tot zijn verstand gekomen is", als het verstand of de rede is ontwaakt, ontstaat uit verstand en begeeren het willen, het met zedelijk inzicht van wat nuttig of nadeelig, goed of slecht is, verbonden begeeren.

Dat willen heeft dan in de ziel de heerschappij te voeren. De oudChristelijke denkers vergeleken dit met de heerschappij van een overheid over haar onderdanen (mora politico).

Het is de wil, die, voorgelicht door het verstand, onzen driftep, onzen lusten, onzen begeerten, onzen gedachten leiding geven moet.

More politico.

Als een overheid haar onderdanen, en dus voor zoover die onderdanen zich leiden laten.

Zie dat maar bij de gedachten.

Uit het diepste van ons wezen, uit het on- of, wilt ge, onder-bewuste, uit dat wat, als de onderstroom boven den waterspiegel, onder het bewuste leven uwer ziel, onder dat waar ge „weet van hebt" ligt, komen zij op, de voorstellingen. Zij overschrijden den dorpel van het bewustzijn. Maar vaak komen er, die gij juist niet hebben wilt, en ook gebeurt het, als ge u iets „maar niet herinneren kunt", dat die, welke gij hebben wilt, niet komen.

Maar denken wij ons verder, om de rijke beteekenis van wat naar Gereformeerd belijden in het: gij zult niet begeeren, ligt, ook in, hoe de zonde in ons zieleleven haar invloed oefende.

En dan sta voorop, dat de zonde aan het wezenlijke van ons zieleleven niets veranderd, niets nieuws toegebracht of ook niets van het bestaande ontnomen heeft.

Sluiten