Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEGEEREN.

gij er met zeker vermaak bij stilstaat, bij vertoeft, en dan zondigt gij zeker zwaarder.

En eindelijk zondigt ge nog zwaarder, indien ge deze eerste tot tweede bewegingen laat worden, ze opneemt in uw willen; ze tot willen laat worden.

Diep gedacht zegt daarom dan ook onze Catechismus: „dat ook de minste lust (cupiditas) of gedachte tegen eenig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome."

Gelijk bekend is, ligt hier tusschen ons, Gereformeerden, en de Roomschen een verschil, een controvers.

Het-concilie van Trente toch stelde — in verband met de Roomsche leer, dat de doop de wedergeboorte werkt — in zijn 5de zitting, in zijn 5den canon of leerregel vast, dat de begeerlijkheid wel als een brandstof (/omes) in de gedoopten blijft, maar, wijl deze alleen overbleef tot strijd, vermag zij niet te schaden aan wie er niet in toestemmen, doch er mannelijk, door de genade van Jezus Christus, tegen strijden." En verder, „dat deze begeerlijkheid, welke de Apostel soms zonde noemt, nooit verstaan is als waarlijk en eigenlijk in de wedergeborenen zonde te zijn, maar alleen zonde genoemd wordt, omdat deze begeerte uit zonde is en tot de zonde neigt."

En verder hebben de Roomsche Theologen geleerd, dat ook de straks genoemde eerste bewegingen van het slechte begeeren, de onwillekeurig opkomende booze begeerten, zoolang er de toestemming van de rede niet bijkomt, geen zonden zijn.

Hiermede wordt de zonde in de wedergeborenen alzoo beperkt tot het gewilde.

Bij de diepere opvatting ligt, ook in de wedergeborenen, de zonde, waarvan zij eerst afkomen in hun dood, reeds achter den wil.

Wat God eischt, is niet maar zedelijkheid, doch heiligheid. En juist omdat de Tien geboden de Wet des Heeren zijn, kan deze Wet, wat geen menschelijke wet vermag, van de handeling teruggaan op den wil en van den wil op wat daarachter ligt, het innerlijk eerste bewegen en het zijn.

Eerst zoo verstaan wij ook den geestelijken zin van wat God verbiedt; van wat Hij ons gebiedt; het: „weest heilig, want Ik ben heilig." „Te allen tijde van ganscher harte aller zonden vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben." Maar ook zoo drijft ons de Wet met hare eischen telkens tot de gerechtigheid van Christus, onzen Borg.

Met dit hoofdstuk over het tiende gebod eindigt onze bespreking van 's Heeren ordinantiën.

Van 's Heeren ordinantiën zoo in de natuur, als in de zedelijke wereld; van Zijn wetten, die Hij gesteld heeft voor het natuurgebeuren; van Zijn geboden, die Hij, als de Tien geboden, ons, menschen, voor ons willen en handelen heeft gesteld.

Sluiten