Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beraamde vijandelijkheden, hot plegen van handelingen mot het oogmerk oin oorlog of vijandelijkheden op te wekken, en wel het treden in verstandhouding ter bereiking van dat oogmerk.

2. De woorden „in verstandhouding treden" zouden oppervlakkig doen denken aan eenen eisch van samenspraak, van onderhandeling, waarhij van weerszijden voorstellen gedaan en afspraken gemaakt worden, zoodat er buiten zou vallen het enkele doen van voorstellen waarop niet wordt ingegaan.

Het woord verstandhouding is echter blijkbaar in eenen ruimeren zin gebezigd. Zoo zij eerst bestaan kon wanneer er van weerszijden wordt gehandeld, zou slechts hij in verstandhouding kunnen treden die op de voorstellen ingaat, niet hij die ze doet; wat deze laatste doet is immers slechts eene eenzijdige handeling, die op zich zelve nog geene verstandhouding in het leven zou roepen, en het latere voortbouwen op de aangenomene voorstellen zou niet zijn het treden in verstandhouding, maar onderhouden van die waarin een ander getreden is, liet entretenir des intelligences van art. 7G Code pénal.

Onder treden in verstandhouding moet dus eenerzijds verstaan worden het doen van voorstellen, onverschillig of de buitenlandsche mogendheid er ooren naar heeft, anderzijds het aannemen van voorstellen door de buitenlandsche mogendheid gedaan. De enkel passieve handeling van het ontvangen van voorstellen, iets waartegen niemand zich kan weren, valt er uit den aard der zaak niet onder.

Meer dan in verstandhouding treden is niet noodig; het misdrijf is voltooid door het doen van voorstellen of het ingaan daarop, onverschillig ook of de onderhandelingen zijn afgebroken zonder tot een resultaat te leiden.

De schuldige behoeft geen Nederlaner te zijn; zelfs onderdanen van de mogendheid met welke de verstandhouding wordt geopend vallen onder het artikel, doch evenals andere vreemdelingen alleen voor zoover zij binnen liet lijk in Europa handelen; art. !)7 is niet gelijk de voorgaande in art. 4 1° genoemd.

4, De verstandhouding moet geopend zijn met eene buitenlandsche mogendheid, d. i. elke andere dan Nederland.

Onder mogendheid kan wel niet anders verstaan worden dan een staat, en met eene mogendheid treedt men niet anders in verstandhouding dan door het aanknoopen van betrekkingen met hare regeering of met iemand door deze met de onderhandeling belast. Aanbiedingen aan eenen vreemden ambtenaar, zij het ook met het oogmerk in dit artikel bedoeld gedaan, zijn al zoo niet voldoende; zij kunnen tot de

Sluiten