Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oogmerk hier gemist kan worden omdat het hulp verleenen aan den vijand of benadeelen van den staat tegenover den vijand, wanneer liet met opzet gedaan wordt, altijd liet oogmerk tot begunstiging van den vijand insluit. Voor „oogmerk" kwam dus in de plaats het opzettelijk hulp verleenen.

Daarbij moest het benadeelen van den staat, nu liet losgemaakt werd van het oogmerk tot begunstiging van den vijand of (naar de door de Commissie van Rapporteurs voorgestelde lezing: hij die opzettelijk den vijand begunstigt door hem hulp te verleenen of den staat te benadeelen) van de begunstiging, nader bepaald worden zóó dat het verband met het bestaan van eenen vijand werd uitgedrukt. Dit nu is gedaan niet de woorden „tegenover den vijand", d. i. met betrekking tot de middelen tot bestrijding of wering van den vijand, direct of indirect.

Overigens is nu een verschil in uitdrukking ontstaan tusschen art. 102 en art. 104; wat in het eerste opzet is, wordt in liet laatste oogmerk.

Het ontwerp der staatscommissie stelde nevens de daden van hulp en benadeeling, verricht met het oogmerk tot begunstiging van den vijand (art. 111), die waarmede dat oogmerk niet gepaard giiii; (art. llö 20).

In art. 112 van het regeeringsontwerp was deze bepaling in hoofdzaak overgenomen. Toen echter art. 102 werd gewijzigd, was ook in art. 104 liet oogmerk tot begunstiging van den vijand veranderd in oogmerk om den vijand hulp te verleenen of den staat tegenover den vijand te benadeelen. Toen was er voor 110. 2 geene plaats meer: het zou enkel kunnen luiden: „een bericht verspreidt of eenige handeling verricht", wat alle mogelijke handelingen omvatte. De bepaling moest dus beperkt worden tot die handelingen welke om zich zelve verboden zijn en als zoodanig reeds vallen onder art. 100 2". Daden van hulpbetoon of benadeeling zonder opzet tot helpen of benadeelen werden dus in het algemeen niet meer mogelijk geacht, alleen met uitzondering van hetgeen thans in art. 104 nog voorkomt. Dat dit het gevolg mede was van de verandering blijkt uit de wijze waarop de -Minister een bij de mondelinge behandeling gedaan voorstel, strekkende tot het strafbaar stellen van het verijdelen van eene onder waterzetting zonder het meermalen. genoemde oogmerk, bejegende. De voorsteller oordeelde dat hij die, om zijn vee het noodige voedsel te geven, liet water van eene inundatie laat wegloopen, zonder daarbij aan den vijand en diens voordeel of aan den staat en diens nadeel te denken, niet gelijk gesteld kan worden met dengene die hetzelfde feit bedrijft, heulende met den vijand.

De Minister zeide daaromtrent: ,,Stel nu dat een boer, volstrekt niet „heulende met den vijand, maar eenig en alleen omdat hij bevreesd

Sluiten