Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

treft iedereen op wien en voor zooverre op hem de Nederlandsche strafwet toepasselijk is, alzoo ook den vreemdeling, ook den onderdaan van den vijandelijken staat, alles behoudens het oorlogsrecht, toe te passen op de legers des vijands.

Het woord „opzettelijk" beheerscht wegens zijne plaatsing alle onderdeelen van liet misdrijf; er is dus ook noodig bekendheid met de omstandigheid dat er tijd van oorlog is, dat degene die geholpen wordt is de vijand of dat de benadeeling den vijand ten goede komt.

Het zal nu niet zonder moeielijkheid zijn den beklaagde de wetenschap van alle onderdeelen van het misdrijf te bewijzen in geval er nog geen oorlog is, maar slechts de voorafgaande tijd van oorlog. Dat de militie onder de wapenen is geroepen kan ieder weten, maar dat er oorlog dreigt valt niet onder elks waarneming, terwijl ook bij dreigenden oorlog de wetenschap wie nu eigenlijk als vijand beschouwd moet worden, niet algemeen verspreid zal zijn. De generaliseering van art. 87 (zie aanteekening 2 aldaar) leidt dus wel tot praktisch bezwaar.

Er is ook een tijd van oorlog waarin het misdrijf niet gepleegd kan worden, nl. zoolang na het sluiten van den vrede de militie buitengewoon onder de wapenen blijft; dan is er toch geen vijand meer.

6. In het tweede lid wordt in sommige gevallen zwaardere straf bepaald voor den dader. De hier opgenomene handelingen zijn species van het misdrijf in het eerste lid genoemd 1).

Onder dien dader mag niet enkel verstaan worden hij die als zoodanig in art. 47 is aangewezen; er is geene enkele reden waarom niet elke deelnemer hier bedoeld zou zijn. Nu onder misdrijf volgens art. 78 ook medeplichtigheid begrepen is kan onder den dader van het misdrijf ook de dader van de medeplichtigheid begrepen worden overal waaide dader niet uitdrukkelijk tegenover den medeplichtige gesteld wordt.

Beter ware hier trouwens als in art. 141 het woord „schuldige" gebezigd.

7. Onder de handelingen waarop zwaardere straf is gesteld wordt in de eerste plaats genoemd het verraden, in 's vijands macht brengen, vernielen of onbruikbaar maken van sommige zaken.

Het woord „verraden" schijnt eenigszins vreemd gekozen; men kan een geheim, een plan aan iemand verraden, zijn vaderland verraden, maar minder juist wordt hier van verraden van allerlei voorwerpen

') Het wijzigingsontwerp van den Minister Cort van der Linden (1900) heeft: de dader die het misdrijf pleegt door opzettelijk, enz.

Sluiten