Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genoemd nevens de oplevering van eenig werk, van forten, gebouwen, schepen, enz., die trouwens ook niet onder de woorden van art. 105 en 332 gebracht kan worden. .Alen heeft er niet aan gedacht, en de bedriegelijke handelingen van aannemers en verkoopers van bouwmaterialen zullen dus ook in tijd van oorlog slechts onder art. 331 kunnen vallen en met de daar bepaalde geringere straf gestraft worden. Trouwens, wat door den Minister in het regeeringsantwoord over het bedrog ook in tijd van vrede gezegd werd: „in tijd van vollen vrede „kan men de leverantiën controleren en heeft men tijd bij afkeuring „zich andere te verzekeren; hot jus commune is dan voldoende", zal ook wel gelden bij aanneming van werken; valt deze vóór in tijd van oorlog, dan toch zeker onder andere omstandigheden waarin inen eenigen tijd van controle en nadenken heeft; te midden der actie, wanneer niet streng gecontroleerd kan worden omdat met spoed in de behoeften moet worden voorzien, zal van aanneming van eenig werk wel geene sprake zijn.

7. Bij het tweede lid wordt met gelijke straf als de dader van het misdrijf van het eerste lid strafbaar gesteld hij die, met het opzicht over de levering der goederen belast, «le bedriegelijke handeling opzettelijk toelaat. De goederen zijn natuurlijk de in het eerste lid bedoelde benoodigdheden. De bedriegelijke handeling is ook die waarop liet eerste lid betrekking heeft. Voor de straf baaiheid moet dus het Ik 'staan van die handeling vaststaan; toelaten van eene niet strafbare handeling is op zijne beurt onstrafbaar.

Er is niet bepaaldelijk als voorwaarde gesteld dat er tusschen den leverancier en den opzichter gecomplotteerd is; voor de strafbaarheid van den laatste is voldoende dat hij, de handeling kennende, haar niettemin toelaat; opzettelijk toelaat, zegt de wet, d. i. met uitsluiting van schuld, van eenvoudig verzuim in de controle.

Dat de levering niet behoorlijk was moet dus bekend zijn geweest, doch wetenschap omtrent het tweede vereischte der bedriegelijke handeling, de bedriegelijke intentie, behoeft niet bestaan te hebben; door de plaatsing van het woord „opzettelijk" wordt de eisch daartoe uitgesloten; de opzichter behoeft dus niet het bedrog te hebben willen steunen, enkel de benadeeling 1).

De bepaling betreft niet alleen — ofschoon in de meeste gevallen feitelijk wel — den ambtenaar; ieder die accidenteel met het opzicht o\er de levering is belast, die van staatswege de levering moet controleeren, is er aan onderworpen. De ambtenaar valt hier onder de bepaling van art. 44.

!) Polenaar en Heemskerk, aanteekening (i.

4*

Sluiten