Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorgaanden prins. Beide kunnen door later sterfgeval weder troonopvolger worden; hij die geen lid van het Koninklijk huis is wordt in den tussc'nentijd niet bijzonder beschermd.

4. Voor de bepaling van het begrip Koninklijk huis verwijst de Memorie van toelichting op art. 110 naar de Grondwet. Hoewel na de wijziging van 1887 de Grondwet niet meer van een Koninklijk huis spreekt, is in het begrip geene wijziging gekomen en zullen er toe gerekend moeten worden de geborene prinsen en prinsessen uit het huis Oranje-Nassau.

Wanneer na den dood des Konings een ander stamhuis optreedt, behooren tot het Koninklijk huis de geborene prinsen en prinsessen uit dat huis, afstammelingen van den eersten Koning daaruit.

Na den dood der regeerende Koningin inaken hare kinderen, de broeders en zusters van den optredenden Koning, het Koninklijk huis uit. Zoolang echter de Koningin regeert is haar huis nog aan de regeering. hare kinderen behooren echter tot het huis des vaders, daar met haar haar huis in hare linie uitsterft; zij zijn dus leden van een ander huis dan dat gedurende het leven hunner moeder aan de regeering is, en behooren zoolang niet tot het (d. i. het regeerende) Koninklijk huis.

Daarentegen behooren zij die vroeger leden van het koninklijk huis waren er niet meer toe zoodra een ander huis aan de regeering is gekomen.

Overigens zou ik de vrouwen van leden van het Koninklijk huis willen rekenen te behooren tot dat huis, ook in haren weduwstaat, omdat zij zoolang het huis Koninklijk huis is hare hoedanigheid niet kunnen verliezen, tenzij door uittreden in geval van echtscheidingl).

Volgens art. 6 der Wet van 14 Januari 1901, Stbl. 35, is de gemaal der thans regeerende Koningin lid van het koninklijk huis.

5. Het voorwerp van den aanslag zijn de Koningin, de troonopvolger, het lid van het koninklijk huis als zoodanig; het moet des daders bedoeling geweest zijn hen in en om hunne qualiteit te treffen. Men kan toch niet van misdrijf tegen de koninklijke waardigheid spreken, wanneer zonder eenig verband met die waardigheid eene persoon getroffen wordt die blijkt toevallig eene der hier genoemde te zijn. Hieromtrent geldt hetgeen gezegd werd bij aanteekening 8 op art. 92.

1) Ygl. over dit alles Van der Hoeven in Tijdschrift voor strafrecht XII, bladz. 104 en volg.

Sluiten