Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten gevolge dat art. 79 hier niet toepasselijk is en 'lat dus het strafbare feit niet reeds bestaat bij poging; daaruit vloeit krachtens de bepaling van art. 78 voort dat poging tot feitelijke aanranding afzonderlijk met de volgens art. 45 gereduceerde straf strafbaar is.

Nu is de vraag of ook hier de uitzondering geldt, neergelegd in het laatste lid van art. 300, of poging tot feitelijke aanranding ingeval die niets anders is dan poging tot mishandeling, onstrafbaar is. Die vraag moet ontkennend beantwoord worden. Feitelijke aanranding is wel ook de gemeenschappelijke naam voor alle in geweld bestaande misdrijven wanneer die op bepaalde personen gepleegd worden, maar tevens, omdat er een afzonderlijke naam voor gekozen is, een zelfstandig misdrijf. De rechter zal nimmer mogen qnalificeeren: mishandeling van den Koning, of openlijk met vereenigde krachten gepleegd geweld tegen den Koning, maar steeds uitsluitend: feitelijke aanranding van de persoon des Ivonings, zonder zich er verder mede in te laten welke ipialificatie het feit, tegen andere personen gepleegd, zou moeten erlangen. Alzoo komen ook niet de bijzondere bepalingen omtrent het misdrijf van mishandeling in aanmerking l).

4. Zoodra eenig misdrijf in eene zwaardere strafbepaling valt. houdt de toepasselijkheid van art. 109 op en treden de elementen van het zwaardere misdrijf op den voorgrond.

Zoo is zware mishandeling van den Koning niet iets anders dan zware mishandeling op ieder ander gepleegd, zelfs lichter strafbaar dan hetzelfde misdrijf gepleegd tegen eenen ambtenaar of des daders ouders, daarbij is ook geene sprake van toepasselijkheid van art. 55, tweede lid, want door de woorden „die niet valt in eene zwaardere strafbepaling" is voor het geval dat de aanranding wel valt in zoodanige bepaling, het bestaan van het bijzondere misdrijf van feitelijke aanranding vervallen.

5. In dit artikel is geen onderscheid gemaakt tusschen de regeerende en de nietregeerende Koningin. Deze omstandigheid gaf aan de Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer aanleiding tot de vrees dat „Koningin" hier zou worden gesteld tegenover „nietregeerende Koningin" in het onmiddellijk voorafgaande artikel, en dus opgevat als regeerende Koningin. De opmerking werd door den Minister terecht bestreden met eene vergelijking niet van twee artikelen, maar van alle waarin de Koningin genoemd wordt: nu op de eene plaats van de regeerende, op de andere van de nietregeerende Koningin gesproken

*) Polenaar en Heemskerk, aantekening 3.

Sluiten