Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er zal dus in het algemeen steeds gevraagd worden of een feit dat krenkend voor den Koning is onder eeneu der strafbare vormen van beleediging valt.

Op de vraag of eene beleediging, die wat haren inhoud betreft niet onder art. 2G1 maar onder 266 zou vallen, gestraft kan worden wanneer zij gepleegd wordt met een middel, bij het laatste artikel niet genoemd, moet dus een ontkennend antwoord gegeven worden. Hier is toch in geen enkel opzicht eene uitbreiding aan het misdrijf gegeven; voor elke species van beleediging blijven dus hare eigene vereischten gelden.

Nu stelle men niet tegenover elkander het begrip van beleediging en de middelen tot beleediging, er is toch altijd slechts sprake van strafbare beleediging, en de strafbaarheid wordt zoowel door de middelen als door den inhoud bepaald i).

Daarom is onjuist de opvatting der Rechtbank te Amsterdam, dat de koninklijke waardigheid zoo hoog staat, „dat zij wordt beleedigil „door iedere handeling waardoor de eerbied en het ontzag haar verschuldigd uit het oog verloren wordt" 2). Niet beleediging van de koninklijke waardigheid is het misdrijf, maar beleediging van den Koning, die door de wet als misdrijf tegen de koninklijke waardigheid beschouwd wordt. Evenmin komt mij juist vóór wat in de Memorie van toelichting gezegd wordt, nl. dat in hetgeen in art. 1 der wet van 1 Juni 1830, Stbl. 15 genoemd wordt „aanranding van 's Konings „waardigheid of gezag of van de regten van het koninklijk stamhuis" thans beleediging zou heeten. In verband met de omstandigheden waaronder die wet is gemaakt schijnt aanranding van de waardigheid of liet gezag des Konings of van de rechten van zijn stamhuis veeleer overeen te komen met hetgeen thans in art. 93 en 94 strafbaar is gesteld. Maar wat tegenover een ander strafrechtelijk niet als beleediging is aan te merken kan het ook niet zijn wanneer het den Koning betreft. Is elke beleediging van den Koning eene aantasting van de koninklijke waardigheid, elke aantasting van die waardigheid is nog geene beleediging. Trouwens de genoemde redeneering der Rechtbank stuit af

hier niet herhaald zijn; die herhaling was echter blijkens de toelichting niet noodig. Zoo is het ook niet noodig de vraag te stellen of mededeelingen in een vertrouwelijk gesprek gedaan hier strafbaar zijn gesteld en die vraag ontkennend te beantwoorden door eene vrij gezochte uitlegging van het woord „aangedaan", Polenaar en Heemskerk, aanteekening 7. Wat in vertrouwen wordt gezegd, is noch volgens de/.e artikelen, noch volgens den l(i,le» titel strafbaar.

1) S. J. M. van Geuns in Wbl. 7059.

2) Vonnis van 30 Juni 1896, P. v. J. 1896, no. 101.

Sluiten