Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geweten te hebben dat op dit feit straf is gesteld; voor strafbaarheid van opruiing is dus, vermits de wet niet uitdrukkelijk het tegendeel eischt, kennis van de elementen van opruiing niet noodig. Strafbare opruiing bestaat al zoo wanneer er opzettelijk opgeruid is tot een feit, en dit feit blijkt strafbaar te zijn.

Bij opruiing in geschrift, waarbij in den regel meer doordacht, minder onder den indruk van het oogenblik wordt gehandeld, waarin dus voor de keus der woorden meer overleg kan worden gebruikt zal wel veelal in minder onomwondene uitdrukkingen aan de gedachte uiting worden gegeven, en dus het opzet niet altijd even gemakkelijk uit de woorden kunnen worden afgeleid: doch ook daar is slechts de vraag of het uit de gekozene woorden blijkt, en dan is de vorm waarin de gedachte wordt uitgesproken zonder invloed.

Zoo besliste de Hooge Raad l) dat wanneer het plegen van het feit waartoe wordt aangezet afhankelijk wordt gesteld van eenige voorwaarde of eventualiteit, niettemin opruiing aanwezig is; zoo de Rechtbank te Leeuwarden -) dat, indien na de woorden: „ik zou wel willen vzt^gë^n, wapen je daartegen met een revolver", volgt: ,,maar dat mag „ik niet , deze laatste woorden aan de eerste hunne opruiende boteekenis niet ontnemen; evenmin de mededeeling dat de dader hetgeen waartoe hij vooraf heeft aangezet, niet aanraden kan omdat ook anderen dan zij die men treffen wilde de nadeelige gevolgen van de daad zouden ondervinden

In de tweede plaats wordt gevraagd hoe en iu hoeverre hetgeen waartoe wordt opgeruid moet zijn aangewezen.

Dat zij tot wie de aansporing gericht wordt het feit als een strafbaar feit kunnen onderkennen, kan niet noodig zijn: dit volgt uit het zooeven geleverde betoog dat zelfs de opruier de strafbaarheid van het feit waartoe hij opruit niet behoeft te kennen. Maar het feit moet de opruier dan toch hebben gewild. Moet hij het nu bij name noemen? Ik zie niet in dat de wet dit eischt. Hoeveel gevallen laten zich niet deuken waarin de opruier zonder een feit juist te noemen duidelijk kenbaar maakt wat hij bedoelt. En de openbare orde, waartegen ook dit misdrijf gericht is, wordt dikwijls nog meer door bedekte aansporing in gevaar gebracht dan door het met name noemen van een misdrijf, waardoor velen zich van liet gevolg geven aan de opruiing

') Arrest van 8 Januari 1894, Wbl. 0464, 1'. v. J. 1894, no. 24. -) \onnis, zonder dagteekening opgegeven in Tijdschrift voor strafrecht VIII, bladz. 494. In gelijken geest Rechtbank Haarlem 28 Mei 1903, P. v. J. 1903 no. 295.

s) T. a. p. bladz. 49.").

Sluiten