Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Minister heeft in zooverre liet verband tusschen de wet en de Memorie van toelichting losgemaakt, docli zijne interpretatie zal kunnen worden aangenomen omdat zij met den tekst der wet niet in strijd is; deze noemt niet het voorwerp der opruiing, enkel de omstandigheid waaronder opruiing strafbaar is.

Volgens de geschiedenis is er dus strafbare opruiing wanneer de dader zich wendt tot het publiek of tot iemand uit het publiek ten overstaan van het publiek.

Het publiek wordt in de eerste plaats gevormd door alle personen die zich op eene openbare plaats bevinden of kunnen waarnemen wat daar voorvalt. Voorts zijn het zij die zich bevinden op algemeen toegankelijk gestelde plaatsen, hetzij de toegang voortdurend dan wel tijdelijk openstaat, onverschillig of de toegankelijkheid aan eenige voorwaarde, betaling van entree of iets dergelijks, verbonden is. Zoo luidde de jurisprudentie, zoo besliste de Hooge Raad, zij het ook niet juist in verband met art. 1311).

Gelijk kenmerk heeft de opruiing bij geschrifte. De bedenking tegen den oorspronkelijke!) tekst betrof alleen de mondelinge opruiing; de opruiing bij geschrifte bleef bij het voorstel der Commissie van Rapporteurs onaangetast, behoudens eene omzetting van woorden, verband houdende met de aanmerking door de Commissie op art. 113 gemaakt. Door den Minister werden echter ook de woorden „in geschriften, verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen" veranderd in „in het openbaar .... bij geschrifte." Eene bedoeling tot wijziging van den zin van het artikel lag hierin niet opgesloten; de Minister wilde het vereischte van openbaarheid slechts op de allereenvoudigste wijze uitdrukken.

Intusschen is niet te ontkennen dat die eenvoudige wijze van uitdrukken meer omvat dan de oorspronkelijke woorden. Voorzeker is er het handelen doormiddel van verspreide, tentoongestelde, aangeslagene geschriften onder begrepen, maar ook het handelen door middel van geschriften die bestemd zijn in het openbaar te worden voorgelezen, als adressen aan publiek vergaderende lichamen 2).

Door middel van geschriften, aan eene bepaalde persoon gericht en niet voor het publiek bestemd, wordt niet in het openbaar gehandeld al kan er door andere personen dan den geadresseerde kennis van genomen worden, zooals briefkaarten die komen onder de oogen van ambtenaren en huisgenooten, telegrammen en dergelijke.

Deze opvatting van den aard der briefkaart lag ook ten grondslag

1) Arrest van 10 Juni 1895, Wbl. (>(>83, I'. v. .1. 189"), no. (>4.

2) Ilooge Kaad 23 Novenilier 1891, Wbl. <5110, I'. v. J. 1892, no. 2.".

Sluiten