Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan "len in '1° Tweede Kauier bij de behandeling- van art. 260 uitgesprokenen wensch dat niet strafbaar gesteld zou worden beleediging bij geslotenen brief, waarbij werd voorgesteld te spreken van toege" zonden of aangeboden open geschrift, waaronder ook de briefkaart zou \allen, men was blijkbaar van oordeel dat beleediging bij briefkaart niet wordt gedaan in het openbaar.

A\ egens de wijziging van den tekst was hier geene aanleiding meer tot de vraag nf bij de oorspronkelijke lezing ook van openlijk verspreiden had moeten gesproken worden, zooals door de Commissie van Kapporteurs uit de Tweede Kamer werd gewenscht l>ij art. 113. Do -Minister kwam aan dien wensch niet te gemoet omdat hij heimelijk verspreiden met het oogmerk tot het geven van ruchtbaarheid niet straffeloos wilde laten. Maar kan nu ook in het openbaar opgeruid worden door middel van heimelijke verspreiding van opruiende geM-hiiften? De vraag moet m. i. bevestigend beantwoord worden: ook bij die verspreiding toch wendt men zich tot het publiek, en zij is \an liet openlijk verspreiden alleen daarin onderscheiden dat men het geschrift aan do kennisneming van bepaalde personen wil onthouden maar het overigens bekend maken, geenszins dat men het slechts tor kennis van bepaalde personen met uitsluiting van de massa wil brongen i).

4. Opruiing is een streng formeel misdrijf. Of het strafbare feit waartoe opgeruid is op de opruiing volgt is ten eenenmale onverschillig; door het uitspreken of door geschrift in het publiek brengen van de opruiende woorden is het misdrijf voltooid. Daarom wordt ook niet gesproken van eene persoon die opgeruid wordt; het werkwoord is hier in zuiver intransitieve beteekenis gebezigd, en onder opruien

i> niet meer te verstaan dan hoorbaar of zichtbaar opruiende woorden bezigen.

Daaruit volgt echter niet dat er opruiing bestaan kan ook bij gemis \an publiek waartoe de woorden kunnen doordringen. Wanneer iemand op een volkomen ledig openbaar plein ten aanhooren van niemand opruiende taal bezigt, kan hij geene opruiing plegen.

Bij opruiing dooi' middel van een geschrift wendt de dader zich echter reeds tot het publiek zoodra hij het geschrift openlijk aanslaat "f tentoonstelt, ook al is er op het oogenblik van het aanslaan of de eerste tentoonstelling niemand in de nabijheid; deze wijze van publicatie heeft toch het blijvende karakter dat aan het gesprokene woord ontbreekt; het misdrijf duurt voort zoolang het publiek de opruiende woorden lezen kan.

') Polenaar en Heemskerk, aanteekening 8.

Sluiten