Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

°r cns' discours, menaces is opgeruid, zij» dus vervallen: men heeft hier eenvoudig te maken met het gesprokene of geschrevene voord.

De vraag is gesteld, welke uitbreiding aan het woord geschrift mag worden gegeven, of de heteekenis beperkt moet worden tot hetgeen in den engen en eigenlijken zin een geschrift is, dan wel mag woixlen uitgebreid ook tot geteekende of geschilderde afbeeldingen.

De laatste uitbreiding mag m. i. niet worden toegestaan. Eene teekemng, eene schilderij of andere voorstelling in prent kan bezwaarlijk een geschrift genoemd worden, en uit andere artikelen blijkt dat de wetgever tusschen geschrift en afbeelding bepaaldelijk onderscheid maakt, art. 113, 119, 271.

Kn terecht is in dit opzicht tusschen opruiing en beleediging onderscheid gemaakt. Men kan iemand in eene afbeelding in zoodanige positie voorstellen dat zij minachting voor de persoon aanduidt, maar liezwaarlijk kan men zich een beeld denken door middel waarvan zou worden aangespoord (in welken ruimen zin ook genomen) tot een feit en nog wel tot een strafbaar feit i).

Men zou daarenboven, geschrift tot afbeelding uitbreidende, eene grens moeten stellen daar waar de afbeelding met een geschrift niets meei gemeen heeft, en dan wel onder geschrift kunnen verstaan eene geteekende, niet eene in steen gehouwene of in metaal gegotene \ ooi stelling, het is nu niet aan te nemen dat de wetgever zulk eene specieuse onderscheiding gewild heeft.

Daarentegen behoeft juist de schrijfpen niet het middel te zijn geweest tot het geven van uitdrukking aan de gedachte. Zonder aan de beteekems van het woord geweld aan te doen kan men geschrift noemen elke voorstelling in woorden, alles wat gelezen kan worden; dit is m overeenstemming met hetgeen voor opruiing noodig is: door woorden gedachten opwekken. Deze meer uitgebreide beteekenis is trouwens uitdrukkelijk door den Minister aan het woord toegekend bij de beraadslagingen over art. 225.

Voor zooverre opruiing door middel van een gedrukt stuk wordt gepleegd zullen de bepalingen omtrent drukpersdelicten van toepassing zijn.

7. De wet maakt ook geene onderscheidingen ten aanzien van hetgeen waartoe strafbaar opgeruid kan worden, en noemt enkel het strafbare feit, misdrijf of overtreding. Zij is in zooverre ruimer dan art. 3 der wet van 1 Juni 1830, Stbl. 39, waarbij opruiing tot ongehoorzaamheid aan de wet in het algemeen was strafbaar gesteld-).

i) Anders Polenaar en Heemskerk, aanteekening ü op art. 131, en 2 op art. 132. -) In gelijken geest de wijziging, voorgesteld in het ontwerp van den Minister ort van der Linden (]!)<%

Sluiten