Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kennis te geven hetzij aan de ambtenaren der justitie of politie, hetzij aan den bedreigde, wordt, indien liet misdrijf is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

1. De kern van het hier strafbaar gestelde misdrijf is het opzettelijk nalaten van kennisgeving.

Hoever zich het opzet moet uitstrekken is niet aangegeven. Betreft het enkel de formeele nalatigheid, of moet deze samenhangen met een oogmerk bij den dader om het misdrijf waartoe samengespannen is te bevorderen, althans niet tegen te werken?

Mij dunkt: het eerste is voldoende. Het woord „opzettelijk' heeft beteekenis voor het straffeloos laten van een bloot verzuim, van eene achteloosheid, waarop het artikel zonder het gebruik van dat woord ook toepassing zou vinden. Het enkele nalaten, het vergeten, het er niet aan denken, maakt van de verzwijging nog geen misdrijf.

Nu is een opzettelijk nala on ook zonder oogmerk om misdrijf te bevorderen zeer goed denkbaar; het is daar aanwezig waar men verzwijgt om de daders van het misdrijf niet ongelukkig te maken of om zelf niet in onaangenaamheden te komen, of ook uit louter onverschilligheid omdat men de moeite van het aangeven niet nemen wil: men laat daar het misdrijf begaan, ofschoon men het misdrijf zelf niet wil l).

De ernstigere vorm van het misdrijf bij het bestaan van het bedoelde oogmerk valt intusschen ook onder dit artikel, daar de wetgever het niet tot een afzonderlijk misdrijf gemaakt heeft.

1) Van een tegenovergesteld gevoelen zijn 1'olenaar en Heemskerk, aanteekening 3. Ik teeken daarop aan: waarom zou men niet mogen aannemen dat de beschuldigde zich kan verdedigen door de bewering dat hij de aangifte vergeten, er niet aan gedacht heeft? Kr is toch onderscheid tusschen het nalaten hij verzuim en het nalaten met opzet.

Ook de ongerijmdheid van een onderscheid tusschen willen niet-handelen en niet willen handelen kan ik niet inzien. Het belang van de strafbaarstelling moge bij beide even groot zijn, omdat beide het plegen van het verzwegene misdrijf in gelijke mate bevorderen, hier worde niet vergeten dat de wetgever even goed in het bestaan van eenen positieven wil tot verzwijgen het kriterium der strafbaarheid stellen kan als in het bepaalde oogmerk tot bevordering van een misdrijf.

In de toepassing worden de schrijvers trouwens aan hunne eigene stelling ontrouw, waar zij nevens „de misdadige neiging welke het misdrijf gepleegd wil zien", stellen die welke het „liever gepleegd wil zien dan zich zeiven aan onaangenaamheden bloot te stellen". De laatste neiging verraadt dan toch zeker niet het oogmerk om het plegen van het misdrijf mogelijk te maken, tenzij men zich begeeft op het gebied van het voorwaardelijk opzet.

Sluiten