Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men heeft eigenlijk willen zeggen dat de bepalingen van art. 135 en 136 niet toepasselijk zijn wanneer de kennisgeving zon betreffen een misdrijf, waarin de verzwijger zelf of eene der andere hier genoemde personen als deelnemer betrokken is.

Xn de wet iets anders zegt moet de bedoeling voor de woorden wijken, en heeft men in elk geval slechts te vragen of in conereto de aangifte gevaar voor strafvervolging zon hebben doen ontstaan1).

2. Eenigszius oneigenlijk is hier aan de vrijheid om door verzwijging nabestaanden voor eene vervolging te vrijwaren gekoppeld die om te zwijgen indien ambt of beroep geheimhouding oplegt. Deze verplichting tot geheimhouding staat toch niet in verband met de personen die de mededeeling betreffen zou: daarvan spreekt de wet nergens, maar zij erkent ze als verknocht aan de maatschappelijke stelling van hem die tot het afleggen van getuigenis is geroepen.

De „ander" te wiens aanzien men zich verschoonen mag is dus iedereen.

Juist omdat de rechtsgrond gezocht wordt in het recht tot verschooning van het afleggen van getuigenis, had men eenvoudiger gedaan door de uitzondering te stellen voor allen die volgens de wet zich kunnen verschoonen, en voor zoover zij dat kunnen.

De bepaling is overigens in het stelsel zelf van den wetgever onvolledig. Zij stelt nevens de nabestaanden alleen vrij hen die uit hoofde van ambt of beroep zich kunnen verschoonen, terwijl art. 163 wetboek van strafvordering nevens ambt en beroep ook den stand noemt.

De reden der afwijking wordt niet vermeld, en het feit der afwijkingschijnt bij de behandeling van het wetboek niemands aandacht te hebben getrokken.

Intusschen wordt de stand in art. 163 uitdrukkelijk naast ambt en beroep genoemd en daarvan onderscheiden, en men heeft blijkbaar het oog gehad op hen die, tot den geestelijken stand behoorende, als zoodanig in het bezit van geheimen zijn gekomen waarvan de mededeeling hun verboden is.

Een geestelijke is nu ais zoodanig geen ambtenaar, en hij oefent ook niet per se een beroep uit.

Men kan het nu waarschijnlijk achten dat de wetgever gemeend heeft zijne omschrijving in overeenstemming met de wettelijke bepalingen omtrent het recht van verschooning gebracht te hebben, zijne woordenkeus laat niet toe de uitzondering anders aan te nemen dan ingeval ambt of beroep, in strikten zin genomen, de verplichting tot geheimhouding oplegt.

') ^ Polenaar en Heemskerk, aanteekening 1; Sijbenga '• a. (>., bladz. 68.

Sluiten