Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De enkele omstandigheid dat een erf besloten, een linis van eene deur voorzien is, bewerkt niet dat liet binnengaan binnendringen is; om als teeken van den verklaarden wil tot liet buitensluiten te kunnen gelden moet de deur, het hek, in zoodanigen toestand gebracht zijn dat de toegang niet door enkel ontsluiten van buiten, openduwen of opendraaien, verkregen kan worden; kan zonder hulpmiddelen (als een sleutel) het binnengaan door den gewonen toegang verkregen worden, dan heeft de rechthebbende zijnen teg'en het binnentreden geriehten wil niet geopenbaard 1).

De openstaande deur geeft wel niet aan een iegelijk liet recht tot binnengaan, heft niet het verbod van art. 158 der Grondwet op en is dus bestaanbaar met wederrechtelijk binnentreden, maar zij sluit uit dat dit binnentreden als binnendringen wordt gequalificeerd.

Intusschen kunnen ook hier omstandigheden aanwezig zijn die liet binnentreden ook door eene niet afgeslotene deur beletten. Terecht besliste de Rechtbank te Alkmaar 2) dat wanneer iemand door het tegenhouden en afsluiten van zijne achterdeur personen die hem achtervolgden feitelijk heeft te kennen gegeven dat hij ze zijn huis verbiedt, liet toevallig ongesloten zijn der voordeur niet uitsluit dat liet binnentreden door die deur als binnendringen beschouwd moet worden; de beveiliging van de achterdeur was hier feitelijk een verbieden van den toegang in liet algemeen. Overigens geldt de uitsluiting van het verbod door het ongesloten zijn van den toegang alleen den gewonen toegang; een venster dat openstaat of van buiten opengeschoven kan worden kan niet geacht worden de in het sluiten der deur opgesloten liggende wilsverklaring op te heffen, en zelfs het openen van de deur kan niet bewijzen dat de toegang door liet daarvoor niet bestemde venster is opengesteld. Ook zelfs buiten het geval van inklimming, bij het tweede lid behandeld, zal dus altijd het binnengaan door eene niet tot toegang bestemde opening binnendringen zijn.

De wilsverklaring van den rechthebbende kan ook bestaan in een

blatlz. 81 oii volg., die onder verklaring alleen schijnt te verstaan eene mondelinge, althans eene op het oogenblik zelf gegevene verklaring.

Onjuist interpreteert deze schrijver overigens het arrest van den Hoogen Raad van 13 Januari 1893, Wbl. 0298. Niet het aanwezig zijn van vijandige bedoelingen bij het gaan door eene opene deur in een huis wordt in dat arrest beschouwd als binnendringen, maar dit een en ander in verband met het voorafgegane openbreken van de deur door medebeklaagden, d. i. het handelen tegen den verklaarden — wil men: geblekenen — wil des bewoners.

') Rechtbank Winschoten, 31 Augustus 1887, vermeld bij I'ols c.s., no. 5.

2) Rechtbank Alkmaar, 10 Juni 1891, Wbl. GQ08.

Sluiten