Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen uitgaan, «ij verschil zal de vil van het hoofd dienen te lieerschen; wie door den zoon wordt medegebracht hoeft niettemin liet \erbod van den vader te gehoorzamen.

Is er echter meeningsverschil tusschen gelijkgerechtigden, dan kan

de toestemming van den eenen het verbod van den anderen niet

krachteloos maken. Aan de andere zijde zal het verlof tot binnentreden

dooi' eenen der lniisgenooten gegeven, zoolang het niet in strijd is

met den wil van den gelijk of hooger gerechtigde, het binnenkomen rechtvaardigen.

Dit is van beteekenis bij de uitbreiding tot het aangetroffen worden in den voor de nachtrust bestemden tijd, die aan het binnendringen a\ok t gegeven bij het tweede lid. Hij wordt geacht binnengedrongen te zijn die, zonder voorkennis van den rechthebbende binnengekomen 111 den voor de nachtrust bestemden tijd wordt aangetroffen. Wanneer nu ''en der lniisgenooten hem heeft binnengelaten, dan ontbeert hij met de voorkennis van een der rechthebbenden. en kan hij ook tegenover anderen, zelfs tegenover liet hoofd des huizes niet ais indringer beschouwd worden.

Het leeht van den bewoner strekt slechts tot de grenzen van hetgeen jij hem in gebruik is: de bewoner van kamers zal dus iemand niet kunnen weren uit liet overige gedeelte van het huis waarin hij woont: < e gemeenschappelijke trap bijv. zal noch kunnen worden ontzegd door de >ewoners aan elkander noch door een hunner aan eenen vreemde die zich tot een der bewoners begeeft. Wie nu in zulk een geval leeit ïebbende is, zal naar omstandigheden beoordeeld moeten worden.

'i is geene reden oin te eischen dat het verbod door den rechthebbende in persoon aan den binnendringer worde kenbaar gemaakt Bi, den tweeden vorm van overtreding, het zich niet aanstonds verwijderen bij wederrechtelijk verblijf, wordt uitdrukkelijk gesproken 'an eene vordering van of van wege den rechthebbende; hetzelfde moet gelden bij het eigenlijke binnendringen, en dat het daarbij niet uitdrukkelijk is gezegd mag niet worden aangevoerd voor het tegendeel omdat, nu binnendringen reeds beteekent binnengaan tegen tien ver• aauui wil \an den rechthebbende, voor eene andere omschrijving als bij de vordering tot heengaan geene plaats was. Er is niet meer noodig dan dat de wil van den rechthebbende is kenbaar gemaakt.

4. In het tweede lid van het artikel wordt verklaard wanneer k nianc wordt geacht binnengedrongen te zijn: men verwacht hier dus eene uitbreiding van het begrip van binnendringen, binnentreden tegen ' en \ei aarden wil van den rechthebbende; maar dan is een gedeelte dezer bepaling overtollig; de wet behoefde toch inderdaad niet te zeggen dat hij die zich door middel van braak, inklimming of valsche

Sluiten