Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12. Niet alle binnendringen wordt gestraft, alleen dat hetwelk wederrechtelijk is geschied.

Meestal is het binnendringen in eens anders bevredigd gebied eene wederrechtelijke handeling, omdat tegenover het recht van den gebruiker door den indringer geen recht gesteld kan worden dat liet andere zou opheffen. Waar dat intusschen wel het geval is, kan van wederrechtelijkheid geene sprake zijn1), en moet het binnendringen ook onstrafbaar blijven. In de eerste plaats valt hier te denken aan al degenen die zich het recht tot binnentreden hebben verworven, tegenover wie dus den gebruiker het recht tot buitensluiten moet worden ontzegd.

De vraag of er wederrechtelijk is gehandeld, wordt in het algemeen hier beantwoord naar de verhouding der partijen; hij wiens recht voor dat van een ander moet wijken handelt wederrechtelijk wanneer hij tracht het te handhaven; zóo de eigenaar die binnendringt bij zijnen huurder, daarentegen niet hij die een toegangbillet tot eenige tooneelvoorstelling of muziekuitvoering heeft, en zich uit kracht daarvan den hem onrechtmatig geweigerden toegang verschaft.

Dat eenige handeling niet als wederrechtelijk binnendringen kan worden beschouwd, sluit overigens niet uit dat zij uit anderen hoofde een strafbaar feit kan zijn; zóo kan het recht tot toegang niet maken dat men zich toegang mag verschaffen door braak, dus door vernieling of beschadiging.

De ambtenaar die binnendringt valt bij wederrechtelijk handelen in de termen van het artikel, casu quo ook met toepassing van art. 44, zoo hij uit kracht van zijn ambt geene bevoegdheid tot binnentreden van eens anders gebouw of terrein bezit; wordt de wederrechtelijkheid enkel bepaald door overschrijding van de grenzen der ambtelijke bevoegdheid, die het bestaan van eene beperkte bevoegdheid onderstelt, dan valt de dader in de termen van art. 370.

De wederrechtelijkheid van het binnentreden wordt niet opgeheven door de grootte van het belang dat tot binnengaan dreef, bijv. brand of moordgeroep in een huis. Op zich zelf geeft dit toch niet het recht tot het forceeren van den toegang, en wordt door deze handeling het recht van den gebruiker geschonden. Toch zal strafbaarheid zijn uitgesloten omdat hier onder overmacht wordt gehandeld (art. 40) of tot noodzakelijke verdediging (art. 41).

De wet, het woord „opzettelijk" niet bezigende, eischt niet dat het opzet des daders ook op al de elementen van het misdrijf gericht zij; de handeling in zich zelve behoeft slechts met opzet gepleegd te zijn.

!) Zie deel I, bladz. 13 en volg.

Sluiten