Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herbergier tegenover zijne gasten, en beslist dat hij in het algemeen liet recht heeft te vorderen dat de bezoekers zich verwijderen 1).

Heeft een herbergier zijn lokaal tijdelijk aan eene vereeniging ten gebritike afgestaan, dan mist hij liet recht aan een der leden den toegang te weigeren of het verder verblijf te ontzeggen2); evenzoo heeft hij zijn recht tegenover liet publiek prijs gegeven wanneer hij zijne herberg heeft afgestaan voor eene openbare verkooping •'»).

Die wederrechtelijk vertoeft moet heengaan op de vordering van of van wege den rechthebbende gedaan. Die vordering moet — het ligt in de beteekenis van het woord — aan hem worden gedaan, tot zijne kennis zijn gekomen; aan eene vordering die hij niet vernam kan hij niet voldoen.

Ook zal de vordering eene voor het concrete geval en de bepaalde persoon geldende en daarop doelende vordering moeten zijn. Eene algemeene modedeeling dat wie aan zekere voorwaarden niet voldoen wil heen moet gaan is geene vordering tot heengaan -4); zij is dat zelfs niet zoo zij tot eene bepaalde persoon is gericht; vordering is eene persoonlijke aanmaning.

Het mag overigens onverschillig genoemd worden in welken vorm zij wordt gedaan, in dien van een verzoek, eene aanmaning of een bevel, mits de omstandigheden maar aanwijzen dat het verzoek meer is dan het vragen van eene gunst of eenen dienst en, als bevel bedoeld, alleen in den vorm een verzoek is.

Hij tot wien de vordering gericht is moet zich aanstonds verwijderen: over het algemeen kan de eiscli gesteld worden dat hij oogenblikkelijk heengaat; de eenigszins zachtere vorm aanstonds" is wellicht gekozen omdat toch altijd naar omstandigheden een redelijke tijd gelaten moet worden oin bijv. goederen die men bij zich heeft mede te nemen.

Daarom zon ik ook de straks genoemde beslissing, dat de herbergier er aanspraak op heeft dat de bezoekers zijner herberg die op zijne vordering aanstonds verlaten wanneer hun vertoeven wederrechtelijk is geworden, niet willen aannemen dan onder deze reserve dat aan hen die onder gelag zijn een redelijke tijd tot het nuttigen van het gekochte gelaten wordt»).

!) Zie o. a. Hof Leeuwarden 10 Juni 1800, Wbl. 5022; zie verder Pols c.s. aanteekening 1.

2) Rechtbank Groningen 5 December 1805, Wbl. 6820.

3) Rechtbank Middelburg 0 Februari 1802, Wbl. (>145.

4) Hof Leeuwarden 14 Juni 1888, I'. v. J. 1888, no. 72.

5) De Rechtbank te Zierikzee kent in haar vonnis van 2(j Februari 1001, Wbl. 763b, een uitgebreider recht tot vertoeven toe aan hen die onder gelag zijn.

Sluiten