Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„of erven, schending van hetgeen § 1-3 van het Duitsche wetboek „zeer juist brfriedeles Besilzlhum noemt 1)." Hieromtrent valt op te merken «lat dan liet bezigen van liet woord „woning" toch eigenlijkgeheel overtollig is.

En de Minister van justitie zeide over den oorspronkelijken tekst van het tweede lid dat de beperking niet diende om elk onbewoond verblijf, maar alleen om schuur, tuin, hooiberg enz. uit te sluiten, en was van oordeel dat de woning niet bewoond behoeft te zijn om door dit artikel beschermd te worden2).

Maar waar blijft dan de ratio der bepaling van het tweede lid in zijne oorspronkelijke redactie, wanneer zij wel zou beschermen een alleen staand onbewoond gebouw, alleen omdat het tot woning bestemd is. en niet de schuur, behoorende bij oen bewoond boerenhuis en staande op het erf van dat huis? Men heeft dan trouwens door het artikel te veranderen de bestaande anomalie weggenomen.

Ik verwijs verder naar de toelichting van art. 139, waar de vrijheid van ieder in zijn huis (art. 138) gesteld wordt tegenover de rust van <le voor den openbaren dienst bestemde lokalen.

Aan de andere zijde is het beroep der Commissie van Rapporteurs op het Duitsche wetboek niet zonder gewicht; de woorden „befriedetes Besitzthum" geven niet anders te kennen dan een besloten terrein; wanneer nu de Duitsche wetgever, tegen de eigenlijke beteekenis van Hausfriedensbruch in, dit misdrijf ook erkent bij onbelmisden grond, kan a fortiori hetzelfde ondersteld worden van onzen wetgever die, het Duitsche artikel in hoofdzaak overnemende, het gebruik van het woord huisvredebreuk in de wet heeft vermeden.

Tegen deze opvatting verzet zich ook niet het bezigen van het woord erf dat op zich zelf elders in het wetboek (vgl. erf waarop eene woning staat, art. 311 3») niet de beteekenis van behuisden grond heeft. Maar waar is dan de grens van het begrip erf? Is er elk stuk grond onder begrepen dat van anderen grond afgescheiden is, zoodat een met slooten omringd weiland ook een erf genoemd kan worden ?

Voorzeker heeft het woord hier niet de beteekenis die het burgerlijk recht er aan geeft, waar gesproken wordt van erfpacht, erfdienstbaarheid en dus gedoeld wordt op elk stuk gronds zonder onderscheid. Welke reden zou er anders kunnen bestaan voor de strafverzwaring van art. 311 3(l, die toch ook zou moeten worden toegepast op eene groote weide in welker hoek eene woning staat.

1) Smidt II, eerste druk 82, tweede druk S3.

2) Smidt II, eerste en tweede druk 85-

Sluiten