Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit of vrees tracht aan te jagen bij zijne ontdekking, kan het derde lid op hem niet toepasselijk zijn; de redenen van strafverzwaring moeten toch met het misdrijf gepaard gaan, niet met de ontdekking. Alleen in het nauwelijks denkbare geval dat het binnentreden op zich zelf niet als binnendringen beschouwd kan worden, ofschoon het met bedreiging of het aanwenden van middelen tot aanjagen van vrees gepaard ging, en gevolgd is door aangetroffen worden in den voor de nachtrust bestemden tijd, zou er reden voor toepassing van de strafverzwaring zijn. Vgl. over dezen vorm van het misdrijf aanteekening 9 en 10.

20. De strafverzwaring is in de eerste plaats toepasselijk bij het uiten van bedreigingen.

Er is geene reden om bij dit artikel af te wijken van de meening dat bedreiging strafrechtelijk alleen bestaat wanneer zij geschikt is om redelijke vrees te doen ontstaan; indien iemand öf eene blijkbaar onuitvoerbare öf eene niets beteekenende bedreiging doet, kan hij niet geacht worden iiiermede het gevaarlijke van zijne strafbare handeling te vermeerderen; de ratio der bepaling is dat de tegenstand tegen het binnendringen en de kracht der aanmaning tot heengaan aan hem die vertoeft wordt verlamd (zie aanteekening 5 op art. 95).

Overigens is de inhoud der bedreiging hier niet gelijk in art. 95 en elders beperkt tot geweld.

Daarom moet ook hier degene tegen wien de bedreiging wordt uitgesproken door haar direct of indirect worden getroffen, en zal bijv. de mededeeling: „indien gij mij niet binnenlaat, maak ik mij „van kant", geene bedreiging kunnen heeten l).

21. Nevens het uiten van bedreigingen is hier genoemd het zich bedienen van middelen geschikt om vrees aan te jagen. Daaronder valt eigenlijk ook de bedreiging; terwijl deze echter alleen mondeling bedreigen kan zijn, valt het bedreigen door daden, bijv. het voorhouden van een wapen, onder de tweede kategorie.

De aard van het middel is overigens niet beperkt. Vooral, doch niet uitsluitend, komen volgens de Memorie van toelichting wapenen in aanmerking. Elk intimidatiemiddel, als bijv. vermomming, is hier bedoeld; zich woest aanstellen is niet uitgesloten.

Voorts is de uitdrukking zoo algemeen genomen dat naar de uitwerking' niet behoeft gevraagd te worden en de aard van het middel

1) Vgl. aanteekening 3 in fine op art. 95. Anders Polenaar en Heemskerk aanteekening 21.

Sluiten