Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan nietigheid, maar de vereeniging bestaat niettemin als feit. Ware dit anders, de wet zou niet van verbodene vereenigingen kunnen spreken. Zij houdt zich hier enkel op met het feit, zonder acht te geven op het bindende der overeenkomst.

Het materieele element van het misdrijf is deelnemen aan de vereeniging, lid van haar zijn of worden, niet deelnemen aan misdadige of verbodene handelingen. Dit laatste kan zijn samenspanning of wel deelneming aan een misdrijf op eene der wijzen bij art. 47 en 48 genoemd 1). Hier echter is zelfs niet noodig deelneming aan misdadige handelingen waarvan het bedrijven in het oogmerk der vereeniging ligt; de aansluiting aan de vereeniging is strafbaar onafhankelijk van deelneming aan hare besluiten of handelingen.

2. De wet onderscheidt nu twee groepen van vereenigingen waaraan men niet straffeloos kan deelnemen: de vereenigingen die tot oogmerk hebben het plegen van misdrijven en andere bij de wet verbodene vereenigingen. In art. 140 zijn dus samengevat de bepaling van art. 4 der wet van 22 April 1855, Stbl. 32, houdende strafbaarstelling van deelneming aan eene verbodene vereeniging voor zoover die niet reeds door de strafwet is beteugeld. en die bepalingen der strafwet welke reeds zoodanige deelneming beteugelden -).

Verbodene vereenigingen zijn nu in het algemeen de vereenigingen strijdig met de openbare orde, en strijdig met de openbare orde wordt geacht de vereeniging die ten doel heeft ongehoorzaamheid aan of overtreding van de wet of eene wettelijke verordering, aanranding of bederf der goede zeden, stoornis in de uitoefening der rechten van wie het ook zij (art. 2 en 3 der wet van 1855).

Tot die vereenigingen behoort, maar ten aanzien van de strafbaarheid er van onderscheiden als de species van het genus is de in het eerste lid genoemde vereeniging, waarnevens staan de andere verbodene vereenigingen.

Naar de onderverdeeling van art. 3 der wet van 1855 behoort zij zeer zeker tot de kategorie der vereenigingen die ten doel hebben

1) Terecht wordt door X. A. M. van Aken, Verboden vereenigingen, academisch proefschrift, Leiden 1895, bladz. 59 i. f. de opmerking gemaakt dat in de Memorie van toelichting niet had behooren verwezen te worden naar art. 86, 87 en 91 Code pénal, omdat complot geheel iets anders is dan vereeniging. Vgl. verder bladz. (i8 en volg. van dat proefschrift, alsmede het academisch proefschrift van J. G. Gratama Wz., Het recht van vereeniging en vergadering, Groningen 1890, bladz. 114 en vlg.

2) De Memorie van toelichting zegt minder juist dat art. 140 alleen art. 4 der wet van 1855 vervangt.

Sluiten