Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. Het materieele element van het hier behandelde misdrijf is het plegen van geweld, niets meerl), maar ook niets minder. „Niemand", zegt de Memorie van toelichting, „kan daaraan worden schuldig verklaard dan die werkelijk geweld pleegt. Alzoo gaat het niet aan „met liet Duitsclie wetboek strafbaar te stellen ieder die tot de ver„eenigde menigte behoort, die aan de samenrotting — een woord „wegens zijne onbepaaldheid te vermijden — deel neemt, ook al is „door hem geen enkele daad van geweld bedreven".

De beperking vond tegenspraak bij den Raad van State, die liet samenrotten strafbaar gesteld wilde zien, „juist omdat dit liet voorgenomen misdrijf kan steunen, mogelijk maken, het openbaar gezag „en de bijzondere personen intimideren, het herstel der orde bemoeije„lijken, onbewijsbaarheid en bijgevolg straffeloosheid der openlijke „geweldpleging zelve voorbereiden".

De Minister van justitie verwees naar art. 202, thans 186, en maakte bezwaar aan het verlangen van den Kaad van State te voldoen, omdat men bij toevloed van tal van onschuldigen, gelijk in zulke ge\allen steeds pleegt plaats te vinden, in moeielijkheden zou komen, en liet \oldoende te achten is dat zoodra er geweld gepleegd wordt zij die daaraan deelnemen onder liet bereik der strafwet vallen.

Als minimum is alzoo vereischt werkelijke deelneming aan liet plegen van geweld; daarentegen is niet meer vereischt dan geweldpleging onafhankelijk van eeiiig gevolg, bestaande in laesie van personen of goederen

Over de beteekenis van geweld zie aanteekening 6 op art. 81 •'>).

Het geweld kan bestaan in vernieling van goederen, in mishandeling; is dit liet geval dan is er samenloop met die feiten (zie aanteekening 2), liet is echter voldoende dat liet daartoe leiden kan, het is minder dan mishandeling en vernieling, en bestaat reeds bijv. in het werpen

!) Het Gerechtshof te .Arnhem schijnt meer dan gewone luate van geweld te verlangen en den eisch te doen berusten op de gelijkstelling van dit misdrijf met de force ouverte van art. 440 van den Code pénal en het misdrijf van S 125 van het Duitsehe strafwetboek; vgl. arresten van 27 December 1900, I'. v. J. 1901 no. 36, en 10 Juni 1902, Wbl. 7775. vgl. 7790, P. v. J. 1902, no. 153. De Xederlandsche jurisprudentie op art. 440 steunt dezen eisch zeker niet. Het eigenaardige van het misdrijf wordt trouwens niet gevormd door de kracht van het geweld maar door het openlijk plegen waardoor het zijn karakter van verzet tegen de openbare orde erlangt.

-) Hoe I olenaar en Heemskerk, aanteekening 2, niettemin kunnen zeggen dat samenscholing met het opzet van geweldpleging dus het misdrijf vormt, is niet duidelijk.

8) Vgl. Hof 's Gravenhage 14 Februari 1901, Wbl. 7556.

Sluiten