Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met steenen naar een huis; zóo zal ook plundering van eenen bakkerswinkel, waarbij enkel de voorraad brood op straat geworpen wordt zonder dat hij bepaald wordt vernield, onder het plegen van geweld vallen.

Het begrip moet hier overigens binnen zijne eigenlijke grenzen beperkt worden: het laatste lid van het artikel sluit de toepasselijkheid van art. 81 uit.

2. Het misdrijf bestaat in het plegen van geweld, dit is hier dus niet het middel om tot iets anders te geraken, als bij art. 121, 179, 180 en andere, maar het doel. Eenerzijds is dus het handelen uit baldadigheid (art. 424) uitgesloten, anderzijds het opzettelijk mishandelen (art. 300), echter niet het plegen van vernieling. Dit volgt uit het tweede lid, volgens hetwelk het geweld zwaarder gestraft wordt ten aanzien van hem die opzettelijk goederen vernielt. Blijkens deze bepaling sluit het opzet tot vernieling de strafbaarheid van deelneming aan het geweld niet uit, maar verhoogt het die integendeel, terwijl het samengaan de toepasselijkheid van art. 350 uitsluit; men heeft hier dus eene toepassing van art. 55, tweede lid, op het geval dat de vernieling zich voordoet onder de hier aangegevene omstandigheden. Voor mishandeling geldt hetzelfde niet: bij geweld wordt de strafverzwaring toegepast niet wegens het opzet tot mishandeling of toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar enkel wegens het optreden van dit letsel of den dood als gevolg.

Waarom men dit onderscheid in de wet gebracht heeft, blijkt niet. Het gevolg er van is dit: geweld tegen personen dat het vernielen van goederen alleen ten gevolge heeft, wordt als geweld zonder meer gestraft, geweld tegen goederen, waaruit lichamelijk letsel of de dood van iemand volgt, is gequalificeerd geweld. En het geweld dat lichamelijk letsel of den dood ten gevolge heeft wordt zwaarder gestraft dan mishandeling met gelijk gevolg, en ook' zwaarder dan ten gevolge van samenloop van geweld met mishandeling met dat gevolg zou kunnen gestraft worden: daarentegen is het geweld, samengaande met het opzettelijk vernielen van goed lichter strafbaar dan indien naar de gewone regelen samenloop van geweld en vernieling gestraft zou worden.

3. Bij de beraadslagingen in de Tweede Kamer werd gevraagd of niet noodig zou zijn dat hier, in overeenstemming met art. 350, het goed waartegen geweld wordt gepleegd geheel of gedeeltelijk aan een ander toebehoort.

De Minister beantwoordde de vraag met de opmerking dat de rechter, zonder verder te gaan dan de wet medebrengt, toch bij de uitlegging

Sluiten