Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwaarder gestraft zou worden dan volgens liet ontwerp mogelijk was. Het kwam er nu op aan of het opzet gericht op een bepaald gevolg aangenomen moet worden bij groote waarschijnlijkheid van dat gevolg. Ik verwijs daaromtrent naar de beschouwing op bladz. 4 en volgende van deel I: alleen onvermijdelijkheid van het gevolg brengt noodzakelijk opzet mede; de Commissie van Rapporteurs had dus gelijk in hare opvatting, en de voldoening aan haren wensch tot verhooging van het strafmaximum is inderdaad eene verbetering van de wet geweest.

9. In welk verband moet het gevaar staan tot de gevaarlijke handeling? Er zal direct gevaar uit die handeling moeten voortvloeien. Wanneer iemand brand sticht in een huis waarin bekend is dat zich een lamme bijv. bevindt, dan is er zekerlijk gevaar voor diens leven van de brandstichting te duchten. Maar wanneer zich in hetzelfde huis iemand bevindt die, zeer onderhevig aan schrik en angst, ten gevolge van den schrik zou kunnen sterven (en dit ook bekend is), dan is voor dezen van de brandstichting geen gevaar te duchten, dit kan alleen gezegd worden van het rechtstreeks, niet van het door omstandigheden van elders middellijk ontstaande gevolg. Het laatstbedoelde gevaar zou gelijk staan met dat waaraan de personen die tot redding toesnellen (en dat er zulke zijn zullen is te voorzien) blootstaan l).

1U. De wet onderscheidt tweeërlei gevaar: voor goederen en voor het leven.

Het eerste moet zijn gemeen gevaar, een begrip waarvan de omschrijving schijnt gezocht te moeten worden in de karakteriseering van de misdrijven in den zevenden titel samengebracht, welker gemeenschappelijk kenmerk is dat zij een gevaar veroorzaken dat de algemeene veiligheid betreft en waarvan hij die het veroorzaakt onmogelijk vooraf den omvang kan bepalen of zelfs berekenen 2).

Niettemin is hieronder ook gebracht de brandstichting, enz. waarvan

llot voorbeeld werd in de Tweede Kamer gesteld door den heer Vening Meinesz (Smidt 11, eerste druk 136, tweede druk 137J, echter niet in verband met het gevaar maar met het gevolg (art. 158). In zooverre past de kritiek van Polenaar en Heemskerk, aanteekening 4, eigenlijk niet op de bewering van den heer Meinesz. De door hen gemaakte onderscheiding tusschen schrik van eencn niet bij den brand betrokkene en van iemand, die door aanwezigheid in huis er wel l>ij betrokken is, komt mij onjuist vóór omdat bij beide het gevaar niet het rechtstreeksche gevolg der brandstichting is. De grens tusschen wel en niet bij den brand betrokkene personen is trouwens niet te trekken.

-) Memorie van toelichting, Sniidt II, eerste druk 115, tweede druk 116.

Sluiten