Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duchten is. Die gevreesde overstrooming lielioeft op liaie beurt niet weder tot gemeen gevaar voor goederen of tot levensgevaar aanleiding te geven.

Wegens de limitatieve opsomming van die handelingen: vernielen, onbruikbaar maken, beschadigen van een waterkeerings- of waterloozings-werk, valt onder dit artikel dus niet het op andere wijze veroorzaken van gevaar voor overstrooming, als door het openzetten van eene sluis. Wie op deze wijze gevaar voor overstrooming veroorzaakt, is al zoo niet strafbaar.

In de Tweede Kamer werd door den lieer Van de Werk gewezen op deze lacune; hij haalde hot voorbeeld aan van de hooipoldens in den Biesbosch, aan óene persoon toebehoorende, geheel in het water gelegen en van andere afgescheiden, zoodat de overstrooming van eenen polder nimmer die van eenen anderen kan ten gevolge hebben en gemeen gevaar is uitgesloten.

De Minister van justitie beantwoordde de bedenking door eenvoudig te loochenen dat in een land als Nederland eene overstrooming ooit zonder gemeen gevaar zou kunnen plaats vinden, maar deed daarmede de kracht van liet voorbeeld, dat ten betooge van het tegendeel was aangevoerd, geenszins te niet.

En zelfs is bij gemeen gevaar het feit nog niet als poging tot het misdrijf van art. 157 strafbaar dan wanneer werkelijk het opzet van den dader op liet veroorzaken van overstrooming gericht is geweest.

2. Hier wordt noch onderscheiden tusschen eigen en vreemd goed, noch liet vereischte van wederrechtelijkheid gesteld.

Uit een en ander volgt in de eerste plaats dat zelfs handelingen aan eigen werk, waarvan gevaar voor overstrooming uitsluitend van eigen land te duchten is, strafbaar zijn. De onstrafliaarheid van gelijksoortige handelingen, vallende onder art. 157, kan alleen berusten op afwezigheid van gemeen gevaar voor1 goederen of levensgevaar, die hier niet afdoet. Ygl. aanteekening 7 op art. 159.

Een gevolg hiervan is dat schending van eens anders recht, op waterkeering of waterloozing tot liet bestaan van het misdrijf niet noodig is, de handeling behoeft eenvoudig met opzet aan een waterkeerings- of waterloozings-werk verricht te zijn.

Het geval deed zich vóór dat iemand zijne eigene tot waterloozing dienende sloot in die van een ander had doen uitloopen, en die ander deze sloot had afgedamd. Ofschoon deze niet verplicht was het water van zijnen buurman te ontvangen, was hij toch strafbaar omdat hij zijns buurmans waterloozing had onbruikbaar gemaakt.

Het Gerechtshof te Arnhem besliste terecht alzoo, met vernietiging van een vonnis der Rechtbank aldaar waarbij de vraag of de buurman

Sluiten