Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. In de tweede plaats wordt genoemd het stellen van een verkeerd teeken, dat is het stellen van een teeken dat ten onrechte het uiterlijk heeft van voor de veiligheid der scheepvaart gesteld te zijn, dat niet aanduidt wat het, zóo als het gesteld is, verwacht mag worden aan te duiden, hetzij doordat zijne inrichting, hetzij doordat zijne plaats bij den schipper de gedachte opwekt aan eene bestemming die het in werkelijkheid niet heeft; een baken of licht op de verkeerde plaats, een rood licht waar een wit behoorde, een sein dat den waterstand onjuist aangeeft, en dergelijke.

Wat gesteld wordt moet altijd een teeken zijn, het moet naar zijn voorkomen door varenden beschouwd kunnen worden als iets dat bepaaldelijk voor hunne veiligheid gesteld is. Alleen in dezen zin kunnen de woorden der Memorie van toelichting worden opgevat: „zoodra de scheepvaart door (een bij nacht op het strand ontstoken) „vuur gevaar loopt, is de toepasselijkheid van het voorschrift niet „twijfelachtig." Dat gevaar is toch slechts aanwezig wanneer het vuur voor hen die het waarnemen een teeken van eene bepaalde strekking is.

Een verkeerd teeken is een valsch teeken , een dat aanduidt het bestaan van iets dat in werkelijkheid niet bestaat; men heeft het woord valsch niet gebruikt, omdat men meende dat het in art. 107 bij de omschrijving van het culpoos misdrijf niet bruikbaar was.

Valsch beteekent in het wetboek echter niet: met opzet valsch gemaakt, het beteekent eenvoudig: onwaar; bij die misdrijven waarbij de eerste beteekenis te pas zou komen, is overal afzonderlijk het opzet of het oogmerk genoemd (titel X, XI en XII van het Tweede boek).

5. Het feit is strafbaar wanneer daarvan gevaar voor de veiligheid van de scheepvaart te duchten is; zie daaromtrent aanteekening C, 7 en 9 op art. 157; over het verband van het gevaar met de in no. 2 en 3 genoemde gevolgen, aanteekening 12 op dat artikel.

De zwaardere straf van no. 2 is alleen toepasselijk wanneer het gevolg bestaan heeft in het zinken of stranden van een vaartuig; een minder gevolg, beschadiging, lek worden brengt het misdrijf terug onder no. 1.

0. Het opzet voor dit misdrijf noodig omvat al wat in den aanhef van het artikel genoemd wordt, wetenschap dus ook omtrent de bedoeling van de gestelde teekenen, omtrent het verkeerde van het door den dader gestolde teeken, daarentegen niet het doen ontstaan van het gevaar (aanteekening 8 op art. 157).

7. Hij een Koninklijk besluit van 15 Maart 1820, Stbl. 6, waren

Sluiten