Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ton aanzien van dit laatste zal trouwens tic grens tusschen doen en laten soms moeielijk te trekken zijn.

3. Vaartuig, zie aanteekening 1 en 2 op art. 86.

In de wet van 1872 stond: schepen of andere vaartuigen; in de Memorie van toelichting wordt er nu uitdrukkelijk op gewezen dat hier geene verandering van het begrip bedoeld is, maar het noemen van vaartuigen alleen voldoende was. Men wachte zich dus voor do gevolgtrekking dat hier alleen vaartuigen bedoeld zouden zijn die niet schepen kunnen heeten.

4. Blijkens de woordvoeging beheerscht het opzet alleen het doen zinken enz., maar behoeft de dader niet de wetenschap te hebben gehad dat het voorwerp zijner handeling een vaartuig was. Ook hierin ligt eene afwijking van do terminologie der wet van 1872, waarvan de reden niet blijkt en die door niets gerechtvaardigd schijnt, al zal zij in de praktijk wellicht niet tot groot bezwaar aanleiding geven.

5. Over wederrechtelijk, zie deel I, bladz. 17, over opzettelijk en wederrechtelijk deel I, bladz. 10 en volgende. Op de eerstgenoemde plaats betoogde ik dat het wederrechtelijke van de bij art. 161 strafbaar gestelde handeling niet juist behoeft to liggen in liet ongeoorloofde der handeling ten opzichte van het vaartuig, zooals in de Memorie van toelichting op den voorgrond wordt gesteld, maar vooral ook in de krenking van het recht van de opvarenden, wier leven hier wordt beschermd. Bij nadere overweging betwijfel ik daar juist gezien te hebben. Eene vergelijking met art. 170 toch brengt tot de slotsom dat niet het in gevaar brengen van het leven, maar de handeling aan het vaartuig gepleegd wederrechtelijk moet zijn. In art. 170 wordt van wederrechtelijk niet gesproken, en toch is het misdrijf geheel hetzelfde als het hier behandelde, behalve dat daar een gebouw, hier een vaartuig genoemd wordt. Het vernielen enz. op zich zelf moet dus wederrechtelijk zijn.

Maar dan is het vereischte van wederrechtelijkheid geheel te onpas gesteld; het ontbreekt bij art. 170 niet alleen maar ook bij 161 en 162. Wanneer nu het vernielen van een gebouw niet wederrechtelijk behoeft te geschieden om wegens het daaraan verbondene gevaar strafbaar te zijn, waarom dan wel het vernielen van een vaartuig'?

Men heeft to uitsluitend aan de zeevaart en aan handelingen van den schipper gedacht, en vergeten dat het feit kan gepleegd worden (ook bij de door het wederrechtelijke beperkte omschrijving) onder velerlei omstandigheden en door personen die tot het vaartuig niet in betrekking staan.

Sluiten