Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haafd, is vervallen, dan wel eenen tlisciplinairen maatregel die geheel zelfstandig nevens art. 185 staat.

De laatste opvatting is m. i. de juiste. Het was toch do uitgesprokene bedoeling van den heer Gratama, den rechter de bevoegdheid te laten tot dwangmaatregelen ter verzekering van de nakoming zijner bevelen tot herstel der gestoorde orde. In zijn schriftelijk voorstel zegt hij: „Het in bewaring stellen gedurende 24 uren is niet zoozeer straf als „wel onschadelijkmaking''; hij spreekt van deze bepaling als behoorende tot die welke eigenlijk geene algemeene strafrechtsbepalingen zijn, en wil de toepassing van art. 26 zóo als dat door de Regeering gewijzigd was. summiere berechting dus ook van het misdrijf van art. 185, onnoodig maken.

Omdat het hier geldt te kort doen aan den eerbied den president in de terechtzitting verschuldigd kan contradictoir debat in die zitting zelve niet worden toegelaten; zóo oordeelde de voorsteller bij het mondelinge debat. Ilij sprak daarbij ook wel van straf, maar wees er op dat onze wetgeving dergelijke straffen — zoo men hier van straf en niet van onschadelijkmaking spreken moet — niet kent.

De Commissie van Rapporteurs viel den voorsteller bij en sprak ook van eene zuiver disciplinaire straf, geheel staande buiten het strafstelsel van het Wetboek van strafrecht.

Het woord straf werd hier overal in oneigen lij ken zin gebezigd; men wenschte eenen maatregel van orde.

In dezen geest werd het voorstel Gratama aangenomen. Dat nu zoodanige maatregel wat ver gaat vermits hij buiten de grenzen der terechtzitting werkt (in dit opzicht is art. 151 Wetboek van strafvordering, nieuw, beter) kan hem zijn karakter niet ontnemen. Art. 24 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering bestaat dus in zijn geheel naast art. 185 Wetboek van strafrecht!).

!) Anders Pols in Tijdschrift voor strafrecht I, bladz. 418.

Diens tegenwerping dat de wet den rechter nergens een disciplinair toezicht geeft over het publiek dat de terechtzitting bijwoont schijnt mij eerder op eene petitio principii te berusten dan het beroep op het feit dat art. 24 een bewijs van het tegendeel oplevert. Mr. Pols had m. i. moeten aantoonen dat dergelijk toezicht uitgesloten is.

In den na aanneming van het voorstel Hartogh c.s. tot wijziging van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering op nieuw afgekondigden tekst van dat wetboek (Staatsblad no. 156 van 1896) is art. 24 in zijn geheel weder opgenomen; evenzoo in de door mr. Pols zeiven bewerkte uitgaven der wetboeken van Kruin, alsook in die van Bauduin (Oudeman—Lipman), hier echter niet aanteekening dat de straf bij art. 3 der Invoeringswet is afgeschaft.

Sluiten