Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op grond van art. 11 sub 28" van liet reglement op de politie, de discipline en den dienst der Koninklijke maréchaussee, vastgesteld bij besluit van den Souvereinen vorst van 30 Januari 1815; dit artikel noemt onder de dienstverrichtingen der maréchaussee in het algemeen het uiteendrijven van samenrotting „die in staat is wanorde na zich te slepen", zonder eene uitsluitende bevoegdheid van lioogere of lagere chefs aan te nemen, eene erkenning meer dan een scheppen van de bevoegdheid der politie, en zonder eenig onderscheid tusschen zelfstandige en niet zelfstandige ambtenaren, een onderscheid dat trouwens in dit arrest niet op den voorgrond wordt gesteld.

Tot het bevoegd gezag kan niet gerekend worden de bevelhebber der militaire macht door den Burgemeester gerequireerd; deze staat onder zijne bevelen en kan slechts ter uitvoering daarvan optreden.

Aan den rechter blijft natuurlijk overgelaten te beoordeelen of de openbare orde geacht kan worden gestoord te zijn geweest, in casu of er een volksoploop was, evenals hem de beslissing toekomt van de vraag of gewelddadige handelingen van de politie gerechtvaardigd waren of het karakter van misdrijf hadden.

Alleen in dit opzicht is er verschil tusschen de ambtenaren aan wie bij de wet wel, en hen aan wie niet de bevoegdheid tot optreden uitdrukkelijk is gegeven; de artikelen 184 en 186 der Gemeentewet onttrekken den rechter het oordeel over de handelingen van den Burgemeester.

Wanneer mindere beambten op uitdnikkelijken last van den Burgemeester optreden, geven zij de bevelen van wege hot openbaar gezag.

6. De straf kan met een derde worden verhoogd ingeval het feit begaan wordt op gebied dat in staat van oorlog of van beleg is verklaard, art. 48 der wet van 23 Mei 1899, Stbl. 128.

Artikel 187.

Hij die eene bekendmaking, vanwege liet bevoegd gezag in het openbaat' gedaan, wederrechtelijk afscheurt, onleesbaar maakt o! beschadigt, met liet oogmerk om de kennisneming daarvan te beletten ofte bemoeilijken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

1. Het hier strafbaar gestelde feit is geplaatst onder de misdrijven tegen het openbaar gezag, omdat volgens de Memorie van toelichting de ilader zich stelt tusschen de regeering en de geregeerden, tracht

Sluiten