Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beide zijn aanwezig in het geval, beslist dooi- de Rechtbank te Arnhem!), waarin aanvankelijk alleen ïnededeeling van liet feit was gedaan, en vervolgens aanwijzing van de persoon. Wegens art. 209 was de vervolging van deze laatste, uitmakende do lasterlijke aanklacht, onmogelijk wegens het gemis van klacht door hem tegen wien de aangifte gericht was, maar de aanvankelijke aangifte alleen van het feit, gedaan en afgesloten vóór hot noemen van den beweerden dader, leverde op zich zelve het misdrijf van art. 188 op. Alleen wanneer het aangeven van het feit en het noemen van den dader samengaan, is bij uitsluiting art. 2G8 toepasselijk.

2. Intusschen heeft art. 188 alleen betrekking op een feit dat niet gepleegd is; er moet alzoo aangifte of klacht zijn gedaan van een geheel verzonnen feit, en het is niet voldoende dat slechts eene verkeerde persoon te kwader trouw als dader van een gepleegd strafbaar feit wordt aangewezen, dan wordt immers een feit aangegeven dat wel gepleegd is 2).

3. De wet zegt niet aan wien de aangifte of klacht gedaan moet worden; do inhoud (dat er een strafbaar feit is gepleegd) wijst echter op de ambtenaren mot de opsporing van strafbare feiten belast.

Is nu elke mededeeling eene aangifte of klacht, of is daarvoor noodig de bedoeling om de justitie in actie te brengen? Is er sprake van klacht dan moet de vraag zeker in laatstgenoemden zin beantwoord worden; dit woord heeft toch eene technische beteekenis, en volgens de Memorie van toelichting is hot dan ook daarom gekozen. Vermits aangifte bij eenen onbevoegden ambtenaar do justitie niet in werking kan brengen wanneer het een klachtdelict geldt, zal de aangifte die een klachtdelict betreft maar niet aan de eischen voor eene klacht voldoet niet strafbaar zijn.

opmerkingen naar aanleiding van artikel 188 Wetboek van strafrecht, academisch proefschrift, Utrecht 1895, liladz. 25 en volg.

In het wijzigingsontwerp van den Minister Cort van der Linden (1900) is in de onderscheiding der begrippen eenige onjuistheid gebracht toen ook aan het misdrijf van art. 188 de naam lasterlijke aanklacht werd gegeven. De voorsteller wilde art. 284 ook toepasselijk maken op bedreiging met valsche aangifte bij de justitie en blijkbaar ook de mondelinge aangifte daaronder brengen, maar brengt er nu te veel onder; beter ware uit art. 208 het vereisehte dat de aangifte schriftelijk gedaan worde te schrappen.

M Vonnis van 22 November 1887, Tijdschrift voor strafrecht V, bladz. 504.

2) Ilooge Raad 3 Maart 1902, Wbl. 7735, P. v. J. 1902, no. 129; vgl. Wbl. 7709.

Sluiten